Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In verband met die beraadslagingen werden door de heeren van den bergh, Chemer, de geer, Gerretson. de monté ver Loren, van Nierop, Nierstrasz, van Ommeeen, Patijn en van Stolk nota's aan de subcommissie toegezonden opdat deze met den inhoud daarvan bij de nadere uitwerking van het ontwerp rekening kon houden. Het voorontwerp' werd dientengevolge in eene vergadering van de subcommissie op 13 Januari 1916 in verschillende opzichten gewijzigd. In de derde vergadering van de Commissie op 5 Februari 1916 werd het gewijzigde ontwerp van wet met de Memorie van Toelichting behandeld. Nadat enkele door de vergadering wenschelijk geachte wijzigingen waren aangebracht en de leden kennis hadden gekregen zoowel van de notulen als van het gewijzigd ontwerp van wet met Memorie van Toelichting en het concepteindverslag, heeft de overgroote meerderheid der Commissie J) schriftelijk instemming betuigd met het vaststellen van de definitieve redactie van dit verslag door de subcommissie. Deze kon daarop in hare vergadering op 21 Februari 1916 na rekening te hebben gehouden met de opmerkingen tot welke de genoemde stukken aanleiding hadden gegeven, het verslag voltooien. De Commissie meent op deze wijze met de eischen van spoedbetrachting, zooveel met een deugdelijke behandeling der moeilijke en belangrijke stof is overeen te brengen, rekening te hebben gehouden.

De redenen waarom de Commissie de in het ontwerp belichaamde wijze om de oorlogswinsten te belasten heeft gekozen, zijn in de Memorie van Toelichting ontvouwd. Zij heeft zich daarbij op het standpunt gesteld van een Regeering, welke de inzichten deelt, welke de meerderheid in de Commissie bij de verschillende onderdeelen van het ontwerp hebben geleid, ten einde de eenheid van dergelijke Memorie niet te verbreken.

Hier zij opgemerkt dat verschillende zaken in verband staande met het behandelde onderwerp, werden besproken, welke in de Memorie van Toelichting geen plaats kunnen vinden. Ze worden hier daarom kortelings behandeld. Eveneens bevat dit verslag een samenvatting van de argumenten, welke werden aangevoerd ten aanzien van enkele belangrijke vragen waaromtrent zich verschil van meening in den boezem der Commissie deed gevoelen.

In de eerste plaats kwam de vraag ter sprake of deze wet aan de gemeenten de bevoegdheid moet geven tot het heffen van opcenten tot een bepaald maximum en onder hoogere goedkeuring.

Voor de opcentenhefïing werd aangevoerd, dat verschillende gemeenten in denzelfden toestand verkeeren als het Rijk. De uitgaven zijn vermeerderd als gevolg van den oorlogstoestand, de inkomsten — men denke aan de havengelden — sterk verminderd door dezelfde oorzaak, terwijl in dezelfde plaatsen personen zijn, wier inkomsten ten gevolge van den oorlog groote vermeerdering hebben ondergaan. Het is billijk deze thans in de gemeentelijke lasten te doen bijdragen en dit geschiedt het best door opcentenhefïing. In tal van plaatsen zal eene dergelijke heffing niet noodig zijn, — bij de vaststelling van het percentage voor de rijksbelasting moet dan ook met deze opcenten geen rekening worden gehouden, — maar in sommige gemeenten zal ze alleszins billijk zijn als tijdelijke maatregel.

Hiertegen werd opgemerkt, dat de mogelijkheid van opcentenhefïing allicht op de vaststelling van het tarief zou inwerken en daardoor de verkrijgers van oorlogswinst in gemeenten, die het niet noodig hebben, noodeloos zouden worden gebaat, voorts en vooral dat de mogelijkheid van opcentenhefïing -welke geschiedt ter woonplaats van de aangeslagenen in de

') Alleen de heer Nierstrasz maakte bezwaar de machtiging te verleenen, zoolang hem niet de eindredactie der artikelen 14 en 93 bekend was, en berichtte tevens tot omstreeks 26 Februari buitenslands te zijn. De heer Nierstrasz is, onder mededeeling dat terwille van den vereischten spoed het verslag onmiddellijk aan den Minister van Financiën moest worden uitgebracht, uitgenoodigd van zijn instemming of afwijkende meening alsnog rechtstreeks aan den Minister te willen doen blijken.

Sluiten