Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

af 1 (Dopende pachtcontracten met liet oog op de liooge prijzen der landbouwproducten, niet worden vernieuwd dan met vaststelling van belangrijk lioogere pacht. Een deel van de oorlogswinst kan op die wijze terechtkomen in de beurs van den landeigenaar, ook als hij niet in het Rijk woont of gevestigd is.

Art. 5. De belasting zal volgens dit artikel voor het eerst worden geheven over het jaar 1914 of het boekjaar waartoe de eerste Augustus 1914 behoorde.

Art. 6. Het eerste lid van dit artikel voorziet in het geval, dat een belastingplichtige het land verlaat eer een jaar, waarover, de belasting ingevolge art. 5 zal worden geheven, ten einde is. Hij blijft dan belastingplichtig en moet aan alle verplichtingen ingevolge deze wet ten volle voldoen.

Door het tweede lid wordt voorkomen, dat bij overlijden van een belastingplichtige of bij ontbinding eener naamlooze vennootschap enz. in den loop van een jaar, waarover de belasting ingevolge art. 5 zal worden geheven, met gedeelten van een jaar moet worden gerekend. Ontbrak deze bepaling, dan zou moeten vastgesteld worden, welke vermeerdering van inkomen of winst door dien overledene of die ontbonden vennootschap ware verkregen in liet verstreken gedeelte van dat jaar. Daarvoor zou echter bekend moeten zijn het inkomen of de winst over hetzelfde gedeelte van het jaar 1913 of van het boekjaar, waartoe de eerste Augustus 1913 behoorde, dus iets wat meestal onbekend en onberekenbaar is. Daarom is bepaald, dat het verstreken gedeelte met een vol jaar wordt gelijkgesteld. Het inkomen of de winst over dat gedeelte kan dan vergeleken worden met het inkomen of de winst over het jaar 1913 of het boekjaar, waartoe de eerste Augustus 1913 behoorde. Tevens behoeft met den aanslag wegens vermeerdering van inkomen of winst niet tot liet einde des jaars te worden gewacht.

Art. 7. De wijze waarop de vermeerdering van het inkomen of de winst wordt berekend, werd reeds besproken in § 4.

Art. 8. Als een belastingplichtige na 1913 voor het eerst inkomen of winst geniet, kan de vermeerdering van inkomen of winst niet op de wijze van art. 7 worden vastgesteld. Er blijft dus niets anders over dan het zuivere inkomen of de zuivere winst geheel als vermeerdering aan te merken. De belanghebbende kan ingevolge het tweede lid van art. 1 aannemelijk maken, dat het inkomen of de winst geen gevolg is van den oorlogstoestand.

Voor binnen liet Rijk gevestigde naamlooze vennootschappen, vereenigingen en maatschappijen, voorzoover deze laatste een aandeelenkapitaal hebben, kan in het genoemde geval een bijzondere regeling geldenHet gestorte aandeelenkapitaal doet voor haar een maatstaf aan de hand. Maakt een jonge naamlooze vennootschap reeds over het eerste Iwekjaai' een zuivere winst boven 5 %, dan mag dat bij uitstek gunstig geacht worden en is het vermoeden gewettigd, dat de winst boven 5 % met den oorlogstoestand verband houdt. Mocht dat vermoeden onjuist zijn, dan is zulks aannemelijk te maken volgens het tweede lid van art. 1.

Art. 9. Ten aanzien van naamlooze vennootschappen en andere vereenigingen van personen die een aandeelenkapitaal bezitten, is een minimum aftrek vastgesteld van 5 % van het gestorte aandeelenkapitaal. De naamlooze vennootschappen die noodlijdend waren en door den oorlog een matige winst maken, zullen dus buiten de belasting vallen. Daarvoor is te meer reden, omdat de belasting over het jaar waartoe de eerste Augustus 1914 behoorde, meestal uit het reservefonds zal moeten voldaan worden en financieel zwakke naamlooze vennootschappen, waarvoor de minimum aftrek bestemd is, in den regel ook lage reserves bezitten.

Artt. 10 tot en met 20. Deze artikelen verwijzen in hoofd-

3

Sluiten