Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zaak naar de bepalingen der Wet op de Inkomstenbelasting 1914.

De periodieke uitkeeringen, die genoten worden ingevolge eene verbintenis, waarvan de naleving niet in rechte kan worden gevorderd, zijn, in tegenstelling met de genoemde wet, hier niet als verschuldigd beschouwd. Zulks is geschied om te voorkomen, dat door de toekenning van zulke uitkeeringen (aan de kinderen b.v.) de gemaakte oorlogswinsten versnipperd en daardoor aan de belasting geheel of gedeeltelijk onttrokken worden (men denke aan de vrijstelling der eerste f 1000 en aan de degressie van het tarief).

Dat bij de opvatting en berekening van inkomen of winst t. a. v. de speculatie-winsten van de bepalingen der Wet op de Inkomstenbelasting 1914 is afgeweken, vindt zijn grond in den aard dezer belasting. Bij de inkomstenbelasting worden de winsten uit speculatie, niet in de uitoefening van het bedrijf verricht, niet als inkomen beschouwd, omdat zij niet ten doel hebben het eigenlijke inkomen, maar het vermogen te vermeerderen. Bij een bebelasting op oorlogswinsten is echter de vermeerdering van het inkomen slechts als voorwerp genomen, omdat in den regel die winsten het inkomen vergrooten. Valt dus de winst uit speculatie in goederen door een particulier — en op die wijze is zeker winst behaald — buiten het inkomen, in den zin door de Wet op de Inkomstenbelasting 1914 aan dat woord gehecht, dan moet het begrip „inkomen" voor deze belasting in ruimeren zin worden genomen, zoodat ook de bedoelde speculatiewinsten er onder begrepen zijn. De winst uit speculatie in fondsen buiten de uitoefening van een bedrijf behaald, kan niet onder het inkomen worden opgenomen, omdat ten aanzien van fondsen speculatie en belegging allesbehalve tegenover of naast elkaar staan. Beleggingswinsten en speculatiewinsten zijn dus bij fondsen niet gemakkelijk te onderscheiden. Tevens brengt de vraag, wanneer men van winst kan spreken (eerst sedert het tijdstip van realisatie der fondsen of ook daarvoor), groote moeilijkheid met zich. Speculeert echter een particulier in goederen

- en hierbij is vooral aan waren als rubber, graan, cacao, koffie, enz. gedacht — dan kunnen de daarmede behaalde winsten moeilijk als gevolgen van kapitaalbelegging worden beschouwd, terwijl het tijdstip waarop de winst wordt gemaakt, meestal zal vaststaan.

Art. 13 hangt samen met art. 5 en voorziet in het geval, dat een natuurlijk persoon zijn inkomen öf uitsluitend over een boekjaar öf deels over een boekjaar deels over het kalenderjaar geniet.

Art. 15. Dit artikel bepaalt lioe ten aanzien van naamlooze vennootschappen en andere vereenigingen van personen die een aandeelenkapitaal bezitten, met kapitaalvermeerdering of -vermindering moet worden rekening gehouden. Daarbij moet in aanmerking worden genomen, dat het kapitaal voor de eene naamlooze vennootschap een geheel andere beteekenis heeft dan voor de andere. Bij hypotheekbanken en verzekeringmaatschappijen vervult het kapitaal de functie van waarborgkapitaal, zoodat nieuw kapitaal slechts de beleggingsrente oplevert. Het nieuwe kapitaal in een fabriek belegd, is daarentegen werkkapitaal en de er door vermeerderde winsten zullen met de mate van bloei van liet bedrijf nauw samenhangen. Een algemeene regeling, die tevens voor alle bedrijven billijk is, kan dus niet worden gevonden en men moet er zich wel toe bepalen als kapitaalopbrengst een vast percentage (in het artikel op vijf bepaald) te nemen. Mocht dat percentage voor een of ander bedrijf onvoldoende zijn, dan zal volgens liet tweede lid van art. J de belastingplichtige aannemelijk kunnen maken, welk gedeelte van de meer-winst (boven de volgens dit artikel in mindering gebrachte 5 %) ten gevolge van het vergroote kapitaal en niet als onmiddellijk of middellijk gevolg van den oorlogstoestand is verkregen. Onbillijkheid zal op die wijze bijna altijd worden voorkomen.

Artt. 21 en 22. Voor deze artikelen zie men § 3.

Sluiten