Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een meer-winst in zijn zaak om haar op te bouwen; 25 pet. moet men eerst heffen bij een oorlogswinst van een paar ton!

Ten slotte acht Spreker de betaling in eens te hard. Aanpassing in dezen bij de .Rijksinkomstenbelasting zou aanbevelenswaard zijn.

De Voorzitter verzoekt den leden zich bij het onderwerp te willen bepalen. De quaestie wat de bestemming dezer belasting zal zijn en of ook de gemeenten er in moeten deelen, ligt buiten de opdracht der Staatscommissie en hoort in de Kamer th uis.

De Heer Schaper meent dat men niet alleen de billijkheid, maar ook de doelmatigheid van het ontwerp dient te bespreken. Daarvoor is de vraag of de gemeenten in de opbrengst moeten deelen, zeker van belang, omdat de hulp der gemeentebesturen bij de heffing onmisbaar is.

De Heer de Geer is het met den Voorzitter eens, dat de quaestie buiten de opdracht ligt. Toch acht Spreker haar in één opzicht aan de orde, nl. bij de bepaling van het tarief. Of de gemeenten opcenten mogen heffen of niet, is voor de bepaling van het tarief van groot belang.

De Voorzitter sluit zich bij den Heer de Geer aan, zoodat de quaestie der opcentenheffing door de gemeenten bij het tarief aan de orde komt.

De Heer van Ommeben spreekt zijn verwondering er over uit, dat tegen den weg om de belasting te heffen wegens vermeerdering van het vermogen in de Memorie van Toelichting slechts één bezwaar genoemd is, nl. het onbelast blijven deivertering. Indien er geen andere bezwaren zijn, weegt dat eene bezwaar dan op tegen de groote voordeelen?

1°. velen die niet kunnen opgeven welke winsten zij gemaakt hebben over jaren in het verleden, kunnen wel zeggen hoeveel ze thans meer bezitten dan vroeger;

2°. men krijgt daarbij van zelf compensatie over de jaren 1914 en 1915. Men stelt eenvoudig de vermogensvermeerdering vast op 1 Mei 1916;

3°. ieder vermogensbezitter is na de groote crisis en benarde tijdsomstandigheden, die wij beleven, blijde als hij behouden heeft wat hij bezat. Heeft hij dus meer, dan kan hij van dat meerdere zeker iets extra afstaan voor de schatkist, eigenlijk nog beter dan zij die meer hebben verdiend vaak door groote zorgen en inspanning.

Natuurlijk zal het moeilijk, ja ondoenlijk zijn om vast te stellen welke vermeerdering van vermogen wel en welke geen verband houdt met den oorlog Maar die moeilijkheid weegt voor de inkomstenvermeerdering minstens even zwaar.

Ten slotte wijst Spreker op artikel 21 van het ontwerp, dat een juiste berekening van de inkomstenvermeerdering vaak onmogelijk zal maken. Immers had men de daarbedoelde fondsen niet altijd ook reeds vroeger in zijn bezit en toch mag men steeds de uitgekeerde dividenden aftrekken! Zulks zal meermalen tot onjuiste aanslagen leiden.

De Heer van Nierop wijst er in de eerste plaats op, dat „de oorlogswinst" toch eigenlijk eerst aan het einde van den oorlog kan worden vastgesteld. Wil men dus reeds eerder gaan heffen, dan moet in ieder geval de deur worden opengezet om met latere verliezen, alsnog rekening te houden. Spreker wijst daarbii op de voorloopige maatregelen in Duitschland en op de bepaling (Cl. 34—3) der Engelsche wet.

Verder betoogt Spreker, dat de belasting der naamlooze vennootschappen, zooals het ontwerp die voorschrijft, niet in den haak is. Vooreerst moet de wet voorschrijven hoe met nieuw kapitaal zal worden rekening gehouden. Ten tweede kan de degressie voor naamlooze vennootschappen niet gelden.

Ten slotte vraagt Spreker eenige inlichtingen omtrent artikel 9 (speculatie-verliezen).

Sluiten