Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Heer van Welderen Rengers vindt de verdediging der degressie \n de Memorie van Toelichting alles behalve krachtig. Degressie past bij deze belasting niet. Ieder kan van zijn extrawinst hetzelfde percentage betalen. Voor de opbrengst zal zulks van groot belang zijn.

De Heer Kröller sluit zich aan bij hetgeen door den heer van Ommeren omtrent de vermogensvermeerdering als beste maatstaf voor deze belasting is gezegd. Gaat men dien weg niet op, dan zullen velen, die groote winst trokken, vrij uit gaan en anderen zonder winst móeten betalen. Spreker wijst op de scheepvaartmaatschappijen, de belasting wordt betaald door de maatschappijen en dus door hen die aandeelhouders zijn op het oogenblik dier betaling. Zij hebben echter de aandeelen soms op hooge koers gekocht. De verkoopers, die eigenlijk de winst hebben gemaakt, betalen niets.

Het is zeker waar, dat bij een belasting wegens vermeerdering van het vermogen de verteerde winsten onbelast blijven. Maar zijn zij van zoo groot gewicht te achten, om daarom den besten weg te verlaten ?

De Heer Teenstra wil eerst het tarief bespreken. Het begin^ percentage van 6,1 pet. komt Spreker te laag voor. Met 10 pet. kan men bij de kleine winsten best beginnen. Ook het normale percentage van 25 pet. wil Spreker gaarne verhoogd zien bijv. tot 33 pet. Een derde deel der extra-winst te storten is in deze moeilijke tijden, waarin velen een kommervol bestaan hebben, waarlijk niet overmatig te noemen.

In de tweede plaats meent Spreker er op te moeten aandringen het jaar 1914 voor de heffing te behouden. Anders vallen allen, die met hun voorraden in dat jaar veel hebben verdiend, buiten de belasting.

Dat is te minder wenschelijk, naarmate door de vrijstelling der eerste f 1000 toch al velen zijn bevrijd. Spreker wijst er in dit verband op, hoe voor de landbouwers in Groningen (hetzij bouw-boeren, hetzij weide-boeren) een oorlogswinst is besomd van op zijn hoogst f 80 per H.A. Alle boeren die dus 12 H.A. of minder in gebruik hebben — en dat zijn er niet weinigen — vallen niet onder de belasting.

De Heer Patijn acht het standpunt door de subcommissie ingenomen het meest juiste. Of echter naast een belasting wegens vermeerdering van het inkomen ook niet eene belasting wegens vermogensvermeerdering moet worden geheven, is een andere vraag.

In de tweede plaats acht Spreker het inslaan van een derden weg noodig, n.1. het heffen van een indirecte belasting. Een vast recht van uitvoer op een aantal uitvoerartikelen zou door onzen handel zeer gemakkelijk te dragen zijn. Zelfs zou het geenszins onmogelijk zijn, wijl de handel met het buitenland voor vele artikelen het karakter van een monopolie-handel heeft aangenomen, dat het buitenland het recht helpt opbrengen. Spreker is in principe niet voor uitvoerrechten en had bezwaren tegen het ontwerp-Treub, maar wijst op het einde van het Voorloopig Verslag over dat ontwerp uitgebracht, waar uitdrukkelijk wordt betoogd, dat voor een vast recht op met name genoemde artikelen veel te zeggen valt.

Mochten er politieke bezwaren tegen het denkbeeld zijn, dan zou de Regeering uit dien hoofde alsnog van de zaak kunnen afzien.

De Heer van der Lande vindt het begrip „oorlogswinst" en de heffing over kalenderjaren lijnrecht met elkander in strijd. Vóór de oorlog is afgeloopen, kan men moeilijk spreken van „oorlogswinst".

De Heer Schaper acht de degressie te sterk.

Ook vindt Spreker de vrijstelling van f 1000 te hoog, en zou f 750 juister achten.

Wat de opcentenhefjing door de gemeenten betreft, daarvan zullen naar Sprekers oordeel de nadeelen grooter zijn dan de voordeelen. De belasting zal dan immers zeer ongelijk werken, want de eene gemeente heeft van den oorlogstoestand veel

Sluiten