Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nu neemt de Voorzitter het woord om op de verschillende opmerkingen te antwoorden.

In de eerste plaats meent de Voorzitter er aan te moeten herinneren, dat wij bij deze belasting te doen hebben met een tijdelijken maatregel, die altijd eenigszins ruw zal moeten werken, wil men zijn doel bereiken. Aan deze belasting zal men niet dezelfde maatstaf mogen aanleggen als aan de blijvende belastingen, die op ons economisch leven een blijvenden invloed uitoefenen.

Spreker gelooft niet, dat de naam der belasting eenigen aanstoot zal geven of verwarring zal stichten.

Het in korting brengen van de vrijwillige bijdragen voor algemeen nut acht de Voorzitter een sympathiek denkbeeld. Of het echter voor uitvoering vatbaar is, moet worden betwijfeld. Er is geen grens te trekken, waarbij men met het compenseeren van dergelijke uitgaven ophoudt. Men denke bijv. aan wat hier te lande voor de Belgen is gedaan.

Een poenale straf naast de verhooging bij niet-aangifte komt den Voorzitter onnoodig voor.

Wat de op centenheffing door de gemeenten betreft, sluit de Voorzitter zich aan bij de opmerking van den Heer Schaper. Het tarief moet in dat geval worden verlaagd zonder dat men zekerheid heeft, wat de gemeenten doen. In kleine gemeenten kunnen groote oorlogswinsten gemaakt zijn. De quaestie kan echter in de tweede vergadering wederom ter sprake worden gebracht.

Vervolgens gaat Spreker over tot de groote vraagstukken.

In de eerste plaats de vraag naar den grondslag der belasting: vermeerdering van het inkomen of van het vermogen. Neemt men de laatste (vermeeidering van het vermogen) als grondslag, dan zal de belasting tengevolge van den grooten achteruitgang in koers van alle Staatsfondsen, enz., zeer weinig opbrengen.

Wordt de belasting daarentegen wegens vermeerdering van het inkomen geheven, dan zal toch in de meeste gevallen de vermogensaanwas een aanwijzing zijn voor de administratie en tot een aanslag leiden. Alleen sommige wijzen van vermeerdering van het vermogen blijven dan onbelast.

Zullen nu bij belasting wegens vermeerdering van het vermogen de opgesomde moeilijkheden ontweken worden? Integendeel, er zullen allerlei moeilijkheden bijkomen. De waardevermeerdering van grond, huizen, vee, effecten, enz. zijn niet zoo gemakkélijk te bepalen. En men mist daarbij vele punten van vergelijking, die men bij de vaststelling van de winst wel heeft, bijv. de gelijksoortigheid van vele landbouwbedrijven wat de opbrengst betreft.

Het is zeker waar, dat de vermogens-verliezen en -toenamen niet voor ieder tegen elkander zullen opwegen. Maar moet men nu, om den enkeling te treffen, wiens vermogen door stijging zijner effecten of andere beleggingswaarden is toegenomen, den juisten grondslag der belasting in den steek laten ? Zulks komt Spreker niet 'aanbevelenswaard voor.

In de tweede plaats de vraag: heffing over termijnen of in eens na den oorlog?

Zou men eerst na den oorlog gaan heffen, dan zou er niets van terecht komen. Wanneer zal dat zijn: na den oorlog. Spreker herinnert in dit verband aan artikel 88 van het ontwerp en aan wat daaromtrent in de Memorie van Toelichting is gezegd. Laat men door verschuiving tot na den oorlog het psychologisch moment voorbij gaan, dan is het gevaar groot, dat van uitstel afstel komt.

Een geheel andere vraag is het, of compensatie niet wenschelijk is.' Stel, er is oorlogswinst in het eerste jaar en daarvan wordt de belasting betaald, het tweede jaar daarentegen brengt een verlies, bijv. door de dure grondstoffen. Dan is compensatie wel wenschelijk. Dit punt zal dus door de subcommissie nader worden overwogen.

Vervolgens behandelt Spreker de vergelijking met het jaar 1913. Hoe is de subcommissie daartoe gekomen? Eerst dacht zij aan vergelijking met de drie voorafgaande jaren, doch dat is afgestuit op het volgende. Het jaar 1911 is een zeer gunstig jaar voor den landbouw geweest; wordt dus voor den landbouw

Sluiten