Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

II. Zal de belasting worden geheven over perioden van een jaar of aan het eind van den oorlog in eens?

(Indien het eerste dan zal compensatie mogelijk moeten zijn).

III. Wil de commissie voor de natuurlijke personen degressie?

(Voor naamlooze vennootschappen zal een vast tarief gelden).

Mocht er na de beslissing over deze vragen nog tijd zijn, dan kunnen de hoofdstukken van het ontwerp summier worden behandeld. Anders kan ieder lid zijn opmerkingen daaromtrent bij zijn nota aan het bureau doen toekomen. De subcommissie kan dan een tweede ontwerp indienen, dat in de tweede vergadering (tweede helft Januari) zal kunnen worden afgehandeld. In die vergadering zullen dus de voorgestelde amendementen behandeld worden, waarna stemming èn over de artikelen èn over het ontwerp in zijn geheel zal plaatshebben.

De Heer Van Fobeest vraagt of het niet wenschelijk is, de kommissie te verdeelen in subcommissies, bijv. voor den handel, de industrie, den landbouw. Dan zou men in die subcommissies kunnen uitmaken, welke weg voor ieder afzonderlijk de beste ware.

De Voorzitter acht het beter eerst de vragen te behandelen.

Aan de orde wordt gesteld Vraag I.

De Heer Van Ommeren meent, dat vele bèzwaren aangevoerd als bijzonder geldende bij de belasting wegens vermeerdering van het vermogen, evenzeer gelden bij die wegens vermeerdering van het inkomen. "VVat de vaststelling der waarden van onroerende goederen, effecten enz. betreft, die moet toch ook plaats hebben voor de vermogensbelasting!

De Heer Van Nierop acht het een groot voordeel bij belasting wegens vermogensvermeerdering, dat men geen berekeningen behoeft te maken over de jaren in het verleden. Men heeft eenvoudig de kohieren der vermogensbelasting van thans met die van vroeger te vergelijken.

Het vaste goed zou men bij de bepaling van de vermogensvermeerdering achterwege kunnen laten. Daarop is toch zooveel oorlogswinst niet behaald. De vaststelling van de waarde deifondsen acht spreker niet zoo moeilijk.

De Voorzitter wijst er nog uitdrukkelijk op, dat een belasting wegens vermeerdering van het inkomen veel doeltreffender zal blijken. Plaatselijk is bijv. heel goed bekend hoeveel wagons aardappelen iemand heeft uitgevoerd en wat hij daarmede heeft verdiend. Tot vermeerdering van het vermogen komt men toch ongeveer altijd via de verméérdering van het inkomen. De eerste zal dus een aanwijzing zijn voor de laatste. Gaat men de belasting heffen alleen over de vermogensvermeerdering, dan zal de opbrengst zeer klein zijn.

De Heer Tydeman sluit zich aan bij hetgeen door den Voorzitter is gezegd. Neemt men als grondslag de vermogensvermeerdering, dan zal de belasting zeer gedrukt worden door het groote koersverlies der buitenlandsche fondsen.

Verder zijn er niet weinigen, die geen vermogen hebben, tenminste niet in de vermogensbelasting vallen en toch oorlogswinst hebben behaald.

Ten slotte betoogt Spreker, dat men zich van de kohieren vooral niet te veel moet voorstellen. De Heer Gerretson denkt alleen aan Rotterdam, en vergeet dat de kohieren, der kleine gemeenten over 't algemeen geheel onbetrouwbaar zijn. Maar er is nog een ander bezwaar tegen het systeem door den Heer Gerretson voorgestaan. Gaat men de inkomsten van twee jaren met elkaar vergelijken, dan moeten er toch vergelijkbare cijfers zijn. Daarom heeft men in het ontwerp tot basis genomen de wet op de inkomstenbelasting behoudens kleine wijzigingen. Met die wet in de hand treedt men ook in het verleden terug en verkrijgt aldus vergelijkbare cijfers. Het systeem van den Heer Gerretson geeft die vergelijkbare cijfers niet, terwijl

Sluiten