Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tevens van velen de inkomstenvermeerdering onbekend zal blijven.

De Heer Mesdag wijst er nog op, dat de administratie der directe belastingen al beschikt over vele gegevens omtrent de oorlogswinsten. Bij de uitvoering der wet op de inkomstenbelasting zijn die gegevens verkregen door de toelichtingen gegeven voor het geval de aangiften voor de inkomstenbelasting den aanslag in de bedrijfsbelasting belangrijk overtrof.

De Heer Patijn heeft vernomen, dat het totaal der kohieren van de vermogensbelasting voor het jaar 1915/6, maar weinig hooger is dan dat voor het jaar 1914/5.

De Heer Schuuring geeft daaromtrent eenige inlichtingen. Door de inspecteurs der registratie is, in antwoord op een desbetreffende vraag, gemeld, dat tot 1 Mei 1915 ongeveer 48 millioen gulden vermogensvermeerdering aan oorlogswinst is toe te schrijven. Over het jaar 1915 zelf zal het bedrag waarschijnlijk hooger zijn.

Spreker maakt de commissie er tevens op opmerkzaam, dat de kohieren der vermogensbelasting maar niet zoo zonder meer zijn te vergelijken, omdat in dezen tijd vele schenkingen worden gedaan aan bloedverwanten.

Vraag 1 wordt in stemming gebracht en met 19 (negentien) tegen 9 (negen) stemmen wordt besloten de in het ontwerp aangenomen grondslag te handhaven.

Tegen stemden, de Heeren Barbe, Kröller, van Loon, van Nierop, Nierstrasz, van Ommeren, Scheurleer, van Stolk en Wierdsma.

Vraag II wordt aan de orde gesteld.

De Voorzitter deelt mede, dat door de subcommissie een artikel zal worden geredigeerd, dat compensatie zal mogelijk maken.

Daarop wordt met algemeene stemmen verworpen de heffing ineens aan het eind van den oorlog.

Vraag 111 wordt in stemming gebracht en met één stem tegen tot degressie besloten.

De Voorzitter verzoekt den leden hunne nota's vóór 28 December bij het bureau te doen inkomen.

Nadat sommige leden hun twijfel hebben uitgesproken of artikel 9 van het ontwerp, j°. artikel 17 van de Wet op de Inkomstenbelasting 1914, voldoende voorziet in de compensatie van speculatie-verliezen, verzoekt de Voorzitter den leden in hunne nota's ook de vragen op te nemen, die zij omtrent de artikelen en de Memorie van Toelichting wenschen te doen.

De Heer Patijn vraagt, of de subcommissie niet in overweging zou kunnen nemen de heffing van een uitvoerrecht naast deze belasting. Spreker erkent, dat door de maatregelen, vanwege het Ministerie van Landbouw genomen, de zaak meer gecompliceerd is geworden. Toch gelooft Spreker niet, dat het een het ander zal behoeven te hinderen. Spreker licht vervolgens zijne bedoeling toe aan den uitvoer van eieren.

De Voorzitter doet toezegging, dat de subcommissie de zaak zal overwegen.

De Heer Teenstra geeft als zijne meening te kennen, dat de heffing van uitvoerrechten veel te ingewikkeld is om nog afzonderlijk overwogen te worden. De subcommissie moet spoed maken en zich dus niet op dien moeilijken weg begeven.

Daar niemand meer het woord verlangt, sluit de Voorzitter om half vier de vergadering.

Sluiten