Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Blijft echter het percentage ongewijzigd, dan zou Spreker in een afzonderlijke nota van zijn afwijkend advies blijk geven.

Vervolgens wordt artikel 1 zonder stemming aangenomen. Evenzoo de artikelen 2, 3 en 4.

In artikel 5 worden op voorstel van den Heer de Geer de woorden: „met of" weggelaten, daar het een zonderlinge onderstelling is, dat er op dien dag al oorlogswinst zou zijn gemaakt.

De artikelen 5, 6 en 7 worden vervolgens aangenomen.

Bij artikel 8 komen aan de orde de amendementen door den Heer van Ommeren voorgesteld.

De Heer van Ommeren licht de amendementen toe. Hunne bedoeling is, om de belasting zooveel mogelijk van natuurlijke personen te doen heffen. Immers zal, zooals de zaak nu geregeld is, niet altijd de belasting betaald worden door hem die de winst maakte. Spreker geeft daarvan een frappant voorbeeld; worden aandeelen verkocht met beding, dat de verkooper het komende dividend nog genieten zal, dan zal de belasting drukken op den kooper der aandeelen (als aandeelhouder), terwijl de verkooper de winst maakte. Yerder is de berekening, die artikel 24 den aandeelhouder oplegt, ondoenlijk. Men zal er in het aangiftebiljet eenvoudig een slag naar moeten slaan. De moeilijkheden zullen dus worden verlegd naar een onderhoud met den inspecteur en daar als ware het bij accoord worden opgelost. Maar dat moet toch in de wet zooveel mogelijk vermeden worden.

Spreker wil zelf ook op de bezwaren wijzen, die de amendementen met zich brengen. Vooreerst zal 'de opbrengst er allicht kleiner door zijn, want de naamlooze vennootschappen zijn veel gemakkelijker en zekerder te treffen. Maar ook voor de aandeelhouders zal de positie in éën opzicht ongunstiger zijn. Zij zullen door de veiligheidsklep van artikel 1, tweede lid, niet veel gebaat zijn. Immers zal de naamlooze vennootschap, doch niet de aandeelhouder kunnen aannemelijk maken, in hoever de meer-winst al of niet van den oorlogstoestand een gevolg is.

De Heer van Nierop noemt nog een ander bezwaar tegen het vrijstellen van de naamlooze vennootschap: de buitenlandsche aandeelhouders kunnen niet getroffen worden en hun aantal is niet zoo gering.

De Heer Nieboer merkt op, dat in het gewijzigd ontwerp al in de richting van den Heer van Ommeren gegaan is dooide tantièmes bij de genieters te belasten. Die verandering is gemaakt zonder dat zij is toegelicht. Spreker vraagt naar de reden er voor.

De Heer Gerzon had liever bepaalde voorstellen gezien, hoe de regeling moet luiden, als de belasting voornamelijk van natuurlijke personen wordt gehe.ven. Verder meent Spreker, dat zoowel naamlooze vennootschappen als particulieren met een eventueele oorlogswinstbelasting rekening hebben gehouden (b.v. bij het opmaken van de inventaris enz.).

De Voorzitter acht het stelsel door den Heer van Ommeren voorgesteld, voor de aandeelhouders onbillijk, omdat zij wegens iedere vermeerdering van dividend de belasting zullen moeten betalen en dus geheel anders behandeld worden dan de overige belastingplichtigen. Tevens waarschuwt Spreker er voor de naamlooze vennootschappen als belastingsubject los te laten; dan zullen de winstvermeerderingen vaak versnipperd er niet te vinden zijn. Ons land telt heel wat kleinere naamlooze vennootschappen.

De Heer van Nierop vindt het ontwerp te verkiezen boven het stelsel van den Heer van Ommeren. Niet omdat op het ontwerp geen critiek te oefenen ware. Spreker zou het niet

Amendementen van den Heer van Ommeren :

Art. 8 te doen vervallen.

Art. 12 aan toe te voegen:

„Evenwel mag onverminderd het bepaalde bij art. 10. 4de lid der Wet op de Inkomstenbelasting van de onzuivere inkomsten wegens afschrijvingen op zaken, die voor de uitoefening van het bedrijf of beroep worden gebruikt, geen hooger bedrag worden afgetrokken dan het gemiddelde bedrag van het deswege afgetrokkene op de rekening over de drie boekjaren, voorafgaande aan dat waarin de lste Augustus 1914 viel, of wanneer de belastingplichtige nog geen drie aan dat boekjaar voorafgaande jaren bestond, geen hooger bedrag dan in de boekjaren sedert haar ontstaan deswege werd afgetrokken."

Art. 14. 1°. te lezen als volgt:

„De uitdeelingen onder den naam van dividend, van tantièmes of welken anderen naam ook, gedaan aan aandeelhouders, beheerende vennooten, Commissarissen of gecommitteerden, bestuurders en verder personeel, allen als zoodanig."

Art. 15 te doen vervallen.

Art. 23 te doen vervallen.

Sluiten