Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1

Amendement van de Heeren Nierstrasz en van Loon op artikel 14:

Als eerste alinea wordt toegevoegd:

„De zuivere winst der binnen het Rijk gevestigde naamlooze vennootschappen wordt gerekend te zijn het ter uitdeeling in

moeilijk vinden het zoo te critiseeren, dat er geen stuk van heel bleef. Maar dan zou van de heffing niets terecht komen. Men behoeft zich volgens Spreker waarlijk niet zoo ongerust te maken, dat de belasting de menschen zal overvallen. Er is op de heffing gerekend, zelfs meer dan den fiscus lief is!

De Heer van Ommeren wijst er op, dat in zijn stelsel de naamlooze vennootschappen niet geheel worden losgelaten. Alleen wegens de uitdeelingen wordt de belasting niet meer van haar geheven.

De Voorzitter beaamt gaarne de opmerkingen van den Heer van Nierop en vraagt of de amendementen in de vergadering steun vinden, waarop alleen de Heer Nierstrasz verklaart zich er mede te kunnen vereenigen.

De Heer van Ommeren trekt daarop de amendementen in.

De artikelen 8 en 9 worden goedgekeurd.

Bij artikel 10 vraagt de Heer Scheurleer ot men het woord „speculatie" wel zal behouden. Het is zoo moeilijk uit te maken wat speculalie is.

De Heer van Nierop stelt voor het te vervangen door: winst uit goederenhandel ook al bepaalt zij zich tot een enkele handeling.

De Heer Mesdag vestigt er de aandacht op, dat in artikel 10 geen ander woord mag worden gebruikt dan in de wet op de inkomstenbelasting staat. Het artikel sluit zich bij de bepalingen dier wet aan.

Artikel 10 wordt aangenomen.

Bij artikel 11 vraagt de Heer Patijn of duidelijk genoeg blijkt dat speculatie-verliezen mogen worden afgetrokken. De Voorzitter zegt toe, dat het artikel nog eens nagezien zal worden. Daarop wordt het artikel goedgekeurd.

Bij artikel 12 komt het amendement door den Heer van Ommeren op dat artikel voorgesteld aan de orde.

De Voorzitter meent, dat men het verstandigst doet voor de afschrijvingen geen speciale regels te geven. In ieder concreet geval zal de noodige afschrijving afzonderlijk dienen te worden bepaald. Soms zullen grootere afschrijvingen noodig zijn met het oog op buitengewone omstandigheden (b.v. grooter slijtage door intensiever productie, zooals bij de artillerie-inrichtingen van den Staat thans het geval is).

De Heer Mesdag herinnert eraan, dat de regel van artikel 10 der wet op de inkomstenbelasting ook hier geldt: afschiijving volgens goed koopmansgebruik.

De Heer Gerretson vreest, dat die regel onvoldoende is. Voor de middenstanders die op ruim crediet leveren (b.v. van een jaar), kunnen de normale regels van afschrijving thans niet gelden. Schiijven zij anders op de schuldvorderingen 10 pet. af, nu moeten zij wel 20 pet. of 30 pet. afschrijven.

De Voorzitter blijft van meening, dat de afschrijvingen in het ontwerp niet nader geregeld moeten worden. Zij mogen geen middel tot ontduiking zijn en moeten in ieder concreet geval vastgesteld worden.

De Heer van Ommeren trekt zijn amendement in en artikel 12 wordt aangenomen. Evenzoo artikel 13.

Artikel 14 en het amendement door de Heeren Nierstrasz en van Loon daarop voorgesteld.

De Heer Nierstrasz licht het amendement toe. Het betreft tweeërlei zaak:

1°. de heffing bij de bron;

2°. de afschrijving en reserveering.

Sluiten