Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Amendement van de Heeren Schaper en Nieboeh op artikel 26:

De laatste twee leden van art. 26 worden gelezen als volgt:

„De belasting bedraagt 50 pet, van het bij het eerste lid bedoelde bedrag.

Indien voor de belastingplichtigen bedoeld bij artikel 2, onder 1°., het bedrag der vermeerdering van het inkomen, verminderd ingevolge het eerste lid, kleiner is dan f 44 000, wordt het percentage genoemd in het vierde lid, verminderd met Vl0 pet. voor elke som van f 100, waarmede dat bedrag blijft beneden f 44 000. De belasting bedraagt echter in geen geval minder dan 10 pet."

De Heeren Nierstrasz en van Loon trekken na deze discussie hun amendement in, wat het tweede gedeelte betreft.

Artikel 14 zal in bovengenoemden zin worden gewijzigd.

Bij artikel 15 vraagt de Heer van Nierop, waarom de eerste en tweede alinea niet dezelfde regeling geven.

De Voorzitter doet toezegging, dat het artikel nog zal worden nagegaan.

De Heer Nieboer vraagt hoe dit artikel wordt toegepast bij uitgifte van aandeelen boven pari.

De Voorzitter antwoordt, dat alleen met het nominale kapitaal rekening wordt gehouden.

De artikelen 16 tot en niet 22 worden goedgekeurd.

Artikel 23 en het amendement van den Heer van Ommeren komen thans in bespreking.

De Heer van Ommeren licht het amendement toe. De gedachte van het artikel is juist, maar de toepassing zal op groote moeilijkheden stuiten. In ieder geval zal het noodig zijn de toepassing te beperken tot de volgende jaren.

De Heer van Nierop vraagt of het woord: „uitsluitend" wel noodig is.

De Voorzitter doet toezegging, dat de toepassing zal worden beperkt zooals de Heer van Ommeren voorstelt, en het artikel verder nog eens zal worden nagegaan.

De Heer van Ommeren trekt daarop het amendement in.

De artikelen 24 en 25 worden goedgekeurd.

Van lx/4—2 uur wordt gepauzeerd.

Na de pauze komen aan de orde artikel 26 en het amendement van de Heeren Schaper en Nieboer.

De Heer Nieboer licht het amendement toe. Spreker verwijst naar de Engelsche wet, die een tarief van 50% kent en naaide voorbereidende maatregelen in Duitschland genomen, waaide naamlooze vennootschappen enz. 5O°/0 van haar zuivere winst in een afzonderlijk fonds moeten reserveeren voor de toekomstige oorlogswinstbelasting. Het in het amendement belichaamde percentage is slechts voor de grootere winsten 50% en daalt af tot 10%.

De Heer van Welderen Rengers stelt bij amendement voor om de degressie te doen vervallen en dus de laatste alinea van artikel 26 in te trekken. Waarom kan men niet over de geheele lijn hetzelfde percentage heften? Ook van de kleine winsten kan zeer goed 25% betaald worden. Spreker wijst op den landbouw, die in deze belasting zeker geen klein deel zal bijdragen. In Friesland is in 1915 ongeveer tien milioen extra winst gemaakt. Indien over de geheele lijn 25% wordt geheven, dan bedraagt de belasting daarover twee en een half milioen. Blijft de degressie gehandhaafd, dan zal slechts de helft worden geind.

De Heer de Monté ver Loren zou zich blijkens zijne bij de subcommissie ingediende nota met een heffing van 50% voor de zeer groote, b.v. in de tonnen loopende winsten kunnen vereenigen. Maar dan moet de degressie veel spoediger beginnen te werken dan volgens het voorgestelde amendement. Tevens zal voor naamlooze vennootschappen een vast percentage (b.v. 33%) moeten bepaald worden. Spreker heeft geen amendement ingediend, omdat vóór alles spoed vereischt is. Zouden de genoemde denkbeelden vertraging veroorzaken, dan wil Spreker niet op overweging aandringen.

Sluiten