Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Heer Schaper vraagt ten slotte of de subcommissie niet zou willen nagaan, welke verwijzingen naar de wet op de inkomstenbelasting beter door het opnemen van de bepalingen dier wet kunnen worden vervangen. Dan zal de wet gemakkelijker te lezen zijn.

De Voorzitter doet daarvan toezegging.

De Voorzitter stelt thans aan de orde de behandeling van de

Memorie van Toelichting.

De Heer de Geer stelt voor, de gemeenten, die door den oorlogstoestand veel hebben geleden, gelegenheid te geven opcenten te heffen. Dat zullen er niet zooveel zijn. Maar voor die enkele is de toestand aan dien van het Rijk gelijk. Spreker verwijst naar Rotterdam, waar het gemeente-budget een tekort heeft van drie en een half millioen gulden. Helpt men die gemeenten niet, dan zullen zij in de toekomst zware belastingen moeten heffen.

De argumenten, in de Memorie van Toelichting tegen het denkbeeld aangevoerd, vindt Spreker niet klemmend. Het argument van den ongelijkmatigen druk geldt bij iedere gemeentelijke belasting. Het geldt echter tegen deze belasting zelfs minder dan tegen andere. Immers hangen de gemaakte oorlogswinsten met de positie der gemeente waar zij zijn gemaakt, dikwijls nauw samen (bijv. in Rotterdam).

Een speciale oorlogswinstbelasting kan de gemeente niet heffen zonder wetswijziging. Opcentenheffing is dus èn rationeeler èn gemakkelijker.

Om te voorkomen, dat gemeenten die het niet noodig hebben, van de opcentenheffing gebruik maken, zou men haar van koninklijke goedkeuring moeten afhankelijk stellen. Als maximum ware bijv. 20 opcenten vast te stellen, zoodat de belasting hoogstens 30 pet. bedroeg.

Spreker heeft in dien geest een artikel in zijne bij de subcommissie ingediende nota geredigeerd, hetwelk luidt:

„Indien eene gemeente, door vermeerdering van uitgaven of vermindering van inkomsten, den druk van den oorlogstoestand in hare geldmiddelen in bijzondere mate ondervindt, zal zij opcenten op deze belasting kunnen heffen tot een bedrag van hoogstens twintig.

De artikelen 232 tot en met 236 der Gemeentewet zijn op deze heffing van toepassing."

Op die wijze zouden die gemeenten geholpen worden en de belasting toch niet te zwaar drukken.

De Heer Gerretson herinnert er aan, het denkbeeld in de vorige bijeenkomst mede voor het eerst te hebben geopperd. Spreker brengt dank aan den Heer de Geer voor zijn warm pleidooi en sluit zich daarbij geheel aan.

De Heer Patijn zegt voor het beginsel dat aan het denkbeeld van den Heer de Geer ten grondslag ligt, zeer veel te gevoelen. En toch vraagt Spreker zich af, of men de gemeente niet een slechten dienst zou doen door den weg van den Heer de Geer te volgen. De virtuositeit om van woonplaats te veranderen is bekend. Zal nu het heffen van opcenten op deze belasting niet velen doen besluiten, in een gemeente zich te vestigen waar geen opcenten worden geheven ? Dat zou voor een gemeente als Rotterdam zeer nadeelig zijn.

De Heer van Nierop sluit zich bij den Heer Patijn aan. Ook vraagt Spreker, hoe het moet gaan bij personen die meer zaken in verschillende gemeenten drijven?

De Heer Laman de Vries meent dat de vorige spreker terecht op de groote moeilijkheden wees, die bij de verwezenlijking van het denkbeeld zullen rijzen. De aanslag geschiedt in de plaats

Sluiten