Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bewonen, dat ze van haar vader gekregen had, terwijl Njordr's paleis, Noatun, aan zee lag. Tenslotte kwamen zij overeen, dat ze negen nachten in haar huis zouden doorbrengen en dan drie nachten in Noatun. Toen Njordr in de bergen geweest was en in Noatun terugkeerde, zeide hij: „Gehaat zijn mij de bergen; niet toefde ik er lang, slechts negen nachten; het gehuil der wolven scheen mij leelijk toe, in vergelijking met het gezang der zwanen."

Skadi echter, die bij voorkeur in het gebergte op jacht ging en van ski-loopen hield, sprak deze woorden, toen zij eenige dagen in Noatun had vertoefd:

„Ik heb niet kunnen slapen aan het strand der zee door het geschreeuw der zeevogels; iederen morgen wekt mij de meeuw, die uit het bosch terugkeert".

Njordr had een zoon en een dochter, F r e y r en Freya. Freyr heerschte over regen en zonneschijn en was de eigenaar van een beroemd schip, Skidbladnir, dat zoo groot was, dat het alle goden tegelijkertijd kon dragen. Bij het zeilen had het altijd gunstigen wind, en wilde men niet varen, dan kon men het opvouwen en in zijn zak steken.

Zijn zuster Freya was de schoonste aller godinnen ; zij bezat een beroemden halsketting en een veeren gewaad, waarin ze, in de gestalte van een valk, rond kon vliegen; een gedeelte der overledenen kwam in haar macht. Dit waren

2

Sluiten