Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Door een Oudnoorschen dichter werd dit als volgt beschreven:

„Ik weet, dat ik hing aan den door den wind geschudden boom, negen nachten lang, gewond door de speer, en gewijd aan Odinn, ik zelf aan mij zelf, aan dien boom, waarvan niemand weet, uit welke wortels hij groeit."

„Met brood verzadigde men mij, noch met een drinkhoorn; aandachtig blikte ik naar beneden: ik nam de runen op, huilend nam ik ze op; dadelijk daarop viel ik neer."

„Negen tooverkrachtige liederen kreeg ik van den beroemden zoon van Bolthorn, den vader van Bestla !) en ik kreeg een dronk van de kostbare mede, geschept uit Odrerir." 2)

„Toen begon ik te groeien en verstandig te zijn, grooter te worden en me goed te voelen: het eene woord bracht me op het andere woord, het eene werk op het andere."

Odinn had de macht, in een gevecht de overwinning te geven; sneuvelde iemand echter, dan was dit ook als een bewijs van gunst van den god te beschouwen. Het was n.1. een teeken, dat hij hem bij zich wilde hebben, want alle gesneuvelden kwamen bij Odinn in de Walholl3)

1) Volgens een overlevering was Bolthorn de grootvader van Odinn en Bestla diens moeder. Een zoon van Bolthorn is ons van elders niet bekend. Gering veronderstelt, dat Mimir hiermee bedoeld wordt.

2) Odrerir is de naam van den ketel, waarin de dichtermede bewaard werd.

3) Gewoonlijk wordt de Walholl ten onrechte het Walhalla genoemd.

Sluiten