Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In deze Walholl, die vijfhonderd veertig deuren bezat, leidden de einherjar (zoo heetten de helden, die de Walholl bewoonden) een gelukkig leven; zij konden zich er voortdurend bezighouden met wat ze het liefst deden: eten, drinken en vechten. Hoeveel einherjar er ook kwamen, steeds was er genoeg eten en drinken voor hen : dagelijks werd het reusachtige wilde zwijn Sserimnir geslacht, dat vleesch genoeg voor allen opleverde en den volgenden dag weer herleefd was. Onuitputtelijk was ook de hoeveelheid mede, die ze te drinken kregen en die uit de uiers van de geit Heidrun vloeide. Walkyrja's, jonkvrouwen, die den helden op het slagveld hulp verleenden en uitkozen, wie naar de Walholl zouden komen, bedienden hen hiervan. Wanneer ze niet aten en dronken, streden de einherjar samen: zelfs de ergste wonden, die ze elkaar toebrachten, waren weer genezen, zoodra de strijd was afgeloopen:

„Alle einherjar strijden dagelijks in Odinn's hof; zij kiezen zich een tegenpartij, die ze willen dooden; daarop rijden zij weg van het slagveld en zitten weer verzoend tezamen."

Frigg, de hemelkoningin, was Odinn's gemalin en de meeste andere goden waren hun kinderen. Hiervan is wel de voornaamste Thor r1), de god van den donder, de sterkste van alle Asen. Hij was in het bezit van drie kostbaarheden: zijn hamer Mjolnir, die nooit zijn doel miste

1). De naam „Thorr" beteekent donder.

Sluiten