Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Komen zal de dood, waar ik me ook bevind, wanneer hij voor me beschikt is. „Er is een groot verschil tusschen een veege en een niet-veege."

„Niets kan den veege helpen." ^

„Alles kan hem redden, die niet veeg is.' „Niet kan men den niet-veege treffen." „Niets kan u beschermen, wanneer de dood u beschikt is."

„In het water verdrinkt, wie in den wind roeit'); voor den veege is alles gevaarlijk." „Voor den veege vriest het wak niet dicht." "üe niet-veege komt niet in de hel." „De dood zal tot me komen, waar ik ook ben." „Ieder sterft, dien de dood roept."

De oude Noren waren een te krachtig volk, om zich door dit fatalisme te laten verslappen. Integendeel, moedig en trotsch traden zij het gevaar

tegemoet; het te ontwijken kon toch geen redding

brengen, terwijl van de wijze, waarop men zich in gevaar gedroeg, iemands eer en goede naam afhingen. Terwijl dus de onveranderlijkheid van het noodlot allen angst voor gevaren deed wijken, niet daarvan immers hing het af, of men stierf, liet het den mensch toch zooveel vrijheid, dat hij zoo dapper mogelijk kon sterven. Duidelijk komt deze opvatting uit in het volgende gesprek tusschen een boer en zijn zoon, dat in

1) Bii wind te roeien is al zeer voorzichtig; het is immers veel minder gevaarlijk dan zeilen, doch wanneer men veeg is, zalmen ondanks zulk een groote voorzichtigheid toch omkomen.

Sluiten