Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

neemt na spot met een ander; niet juist weet hy, die aan een gastmaal hoont, of hij zich niet door zijn praten vijanden maakte." „Veel mannen, al zijn ze elkaar goedgezind, twisten toch bij een gastmaal; steeds zal dat een aanleiding tot strijd voor de menschen zijn, wanneer gasten met elkaar twisten." „In de vroegte moet iemand goed eten, maar niet nuchter naar een gastmaal gaan; anders zit hij te kauwen, doet alsof hij moet stikken en kan maar weinig vragen."

„Ge moet weer weggaan en niet voortdurend op één plaats gast blijven; de vriend wordt gehaat, wanneer hij al te lang in het huis van een ander blijft."

Als de gasten er dus maar voor zorgen, geen misbruik te maken van de vriendelijkheid van hun gastheer, als ze maar niet met elkaar gaan twisten, of al te lang willen blijven, dan moet ieder, die daartoe in de termen valt, gastvrij zijn. Dit is een deugd, die vanzelf vrijgevigheid in zich sluit; immers gastvrij en gierig gaan niet samen. Toch wordt er ook nog uitdrukkelijk op gewezen, dat men vrijgevig moet zijn en geschenken met geschenken beantwoorden. Speciaal van koningen en vorsten verwachtte men royaliteit. Ja, deze was hun zoozeer eigen, dat ze in de poëzie dikwijls aangeduid werden met uitdrukkingen als „hij die goud geeft," „de verdeeler der ringen" en dergelijke meer.

Sluiten