Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

standdeel is de Vihara, een vierhoekige tempel zonder galerij, van binnen voorzien van een groot verguld Buddhabeeld. In dit gebouw wordt af en toe gepreekt.

Een ander soort van heiligdommen zijn de Caitya's, ook wel StUpa's of Dagobs genaamd, pyramidale bouwwerken in den vorm van klokken, en relieken bevattende van heiligen, van de stichters of andere voorname personen; de relieken zijn vervat in urnen of doozen in een kleine bedekte holte.

Eindelijk valt nog te vermelden een soort van bouwwerk dat den naam draagt van Prang. Men verstaat daaronder hooge massieve pyramiden, in vorm gelijkende op Liiiga's en aan de spits gekenmerkt door een drietand, het wapen van £iva, zoodat Aymonier in die Prangs een overblijfsel van het Brahmanisme meent te zien of althans eene grove nabootsing van de schoone Cambodjasche torens waar ze uiterlijk op gelijken.

Op oude monumentale bouwwerken kan de hoofdstad Bangkok niet bogen. Men weet trouwens dat eerst in 1772 de rijkszetel naar Bangkok is overgebracht, nadat Ayuthia, de oudere hoofdstad van de 14de eeuw af, in 1767 door de Burmeezen verwoest was.

In de onmiddellijke nabijheid van Ayuthia vindt men tegenwoordig niets meer dan onherkenbare bouwvallen. Wat men meer Noordelijk aantreft, is ook van weinig beteekenis; daarenboven zijn veel overblijfselen in 't geheele stroomgebied niet van Siameeschen oorsprong. Wat de inscripties in het Siameesch betreft, bepaalt zich Aymonier, in overeenstemming met het plan van zijn werk, tot de vermelding van hetgeen min of meer in onmiddellijk verband staat met Cambodja. Hij vond daartoe te meer vrijheid, omdat de Siameesche epigraphie op bevredigende wijze behandeld is door Fournereau in diens «le Siam ancien», door Pater Schmitt, en in de deelen van de «Mission Pavie».

Een van de belangrijkste Siameesche inscripties is die, welke dagteekent van 't jaar 1284 na Chr. en gevonden is in de nabijheid van Soko-thai, de toenmalige hoofdstad van Siam. Het blijkt daaruit, dat toen ter tijd door den regeerenden vorst Rama Kamhêng het schrift uit Cambodja is ingevoerd.

Twee andere inscripties in Siameesche taal, welke zich thans bevinden in Bangkok, maar daarheen overgebracht zijn van men weet niet waar, en gedateerd van 760 en 768, overeenkomende met 1398 en 1406 van onze jaartelling leveren het bewijs dat toen reeds het Buddhisme vasten voet gekregen had in de streek, van waar die opschriften afkomstig zijn. Daarentegen heeft men in de bouwvallen van Kamphêng Pesj een bronzen £ivabeeld ontdekt, met een kort Siameesch opschrift, waaruit wij de kennis

Sluiten