Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aantal van Cambodjasche monumenten in dit gewest is zóó groot, dat we slechts van de voornaamste eenig gewag zullen maken. Het is nauwelijks noodig op te merken dat de twee talen welke men hier op de inscripties aantreft, Khmer en Sanskrit zijn.

De belangrijkste bouwvallen zijn die van den tempel te Nom Van, eenige uren O. N.O. van de tegenwoordige stad Korat. De opschriften, waarvan de grootste dagteekenen uit de 12de eeuw, wijzen uit dat de stichting een Qivaïetisch heiligdom was. Daarentegen is een zuil bij Hin Khon opgericht door een Buddhist; evenzoo is de tempel, waarvan de bouwvallen in 't district van Tjayaphum zichtbaar zijn, een Buddhistisch heiligdom. Evenzoo de tempel van Phimaie, waarvan Aymonier een uitvoerige beschrijving geeft, met platten grond en afbeelding van 't overgebleven gedeelte der bouwwerken, waarop echter het fraaie beeldhouwwerk niet zichtbaar is. Minderwaardig zijn de sculpturen van 't vervallen Visnuïetische heiligdom bij Koe Suon Teng.

Van Korat gaat de Schrijver over tot de streek, thans bewoond door de Laos, voorheen onderworpen aan de Khmers. Na eene korte beschrijving van 't karakter, de gewoonten en zeden der Laos, en na eene vluchtige opsomming hunner monumenten , wier nadere beschouwing buiten zijn bestek ligt, behandelt Aymonier de oudheden die men in de door Cambodjanen bewoonde dorpen aantreft. Ze zijn niet zeer talrijk, alle Buddhistisch.

Talrijker dan in de provincie Korat is de Cambodjasche bevolking in 't land van Bassak, waarvan 't oostelijk gedeelte, aan den linker oever van de Mekong, sedert 1893 onder Fransche heerschappij staat.

Iets ten Z.W. van Bassak, bij Vat Phu , verheffen zich ettelijke ruïnen. Verschillende zuilengangen met voorstellingen uit de Indische mythologie leiden naar het eigenlijke heiligdom met soortgelijke voorstellingen; het meest voorkomende motief is de afbeelding van den god Indra op zijn olifant en van het monster Rahu, den bewerker van maansverduisteringen. Van het heiligdom stijgt men hooger op, naar een terras langs in de rots

uitgehouwen treden.

Van dit terras heeft men een indrukwekkend uitzicht op de bosschen en bergen van Bassak en de kronkelingen der rivier. Uit een ter plaatse gevonden zuil met eene inscriptie in 't Sanskrit en t Khmer uit de 12 eeuw is op te maken dat het heiligdom door Koning Süryavarman II gewijd werd aan £iva en dat in verloop van tijd verschillende godenbeelden, o. a. van £iva-Visnu als twee-eenheid, werden opgericht.

In zuidelijke richting van bovengenoemde plaats ligt het dorp Ban That, «dorp der torens», zoo geheeten naar drie oude torens, die zich terzijde van een pagode verheffen. De bouwtrant mist alle bevalligheid en, uit het

Sluiten