Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

treft, is op te merken dat de twee teksten hetzelfde onderwerp behandelen, zoodat men kan zeggen dat de zuil een tweetalige oorkonde bevat, met deze uitzondering dat het laatste gedeelte van den Cambodjaschen tekst met een toevoegsel verrijkt is. De inhoud laat zich kenschetsen als de geschiedenis in kroniekstijl van negen geslachten eener brahmaansche priestersfamilie, vooral ten opzichte van hun vrome werken en schenkingen. Die geschiedenis omvat een tijdperk van 250 jaren en loopt van 724 tot 974 Qaka (802 tot 1052 A. D.).

De Cambodjasche tekst, die over 't algemeen iets uitvoeriger is dan de Sanskritsche, begint met de vermelding van 't feit datZ. Maj. Paramegvara (bij zijn leven Jayavarman II) een heiligdom oprichtte te Nagara Mahendraparvata en twee in den tekst genoemde oorden aanwees als woonplaatsen voor eene familie welke de uitsluitende bevoegdheid verkreeg om ook in 't vervolg den eeredienst van de godheid waar te nemen. Deze familie, wier vertakkingen worden opgegeven, was door den regent van Bhavapura begiftigd met landerijen in 't gebied van Indrapura, waar zij zich met der woon vestigde en een Liiiga van £iva oprichtte. Na dit gedeelte dat als een inleiding kan beschouwd worden, leest men de opmerkelijke bijzonderheid dat Z. Maj. Paramegvara van Java gekomen was om te heerschen in de hofstad Nagara Indrapura. Iets verder in het stuk leest men van de afhankelijkheid — vermoedelijk geestelijke — van Cambodja ten opzichte van Java. Hoe deze uitingen te verklaren zijn, ligt in 't duister. Men weet dat de benaming Java ook toegepast werd op Sumatra, maar het is niet bekend dat Sumatra ooit een brandpunt is geweest van Qivaïetisme, of meer in 't algemeen van brahmanistische wetenschap, en toch schijnt men uit den samenhang te moeten opmaken dat Z. Maj. zich onafhankelijk wenschte te maken van Javaanschen invloed door een geleerden brahmaan, Hiranyadama, aan zijn hof te noodigen, opdat deze de voorschriften voor de wijding van een Opperheerscher zou vaststellen.

Genoemde koning had tot Guru, leeraar en geestelijken raadgever, den brahmaan £ivakaivalya, wiens familie door de koninklijke gunst begiftigd werd met uitgestrekte landerijen te Kuti, terwijl hij zelf de hoeder werd van 't heiligdom te Nagara.

Vei der volgt een reeks van feiten betrekking hebbende op de verdiensten der familie van Qivakaivalya in de volgende geslachten en op de gunstbewijzen en schenkingen der na Paramegvara regeerende koningen.

^De laatste der in 't stuk genoemde vorsten is Udayadityavarman, die in 971 £aka den troon beklom.

De Sanskrittekst, waarvan de vertaling aan den Heer Barth te danken is, geeft in hoofdzaak eene opsomming van dezelfde geschiedkundige feiten.

Sluiten