Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

men veel meer klassen van lieden aangeduid naar gelang van de taak welke hun was aangewezen.

Aan 't hoofd der lijsten worden steeds genoemd de danseressen, gevolgd door de zangeressen en bespeelsters van muziekinstrumenten. Sommige opschriften maken verder gewag van zangeressen «voor 't publiek», zangers en muziekanten. In de reeks van beambten treft men aan een dorpshoofd; bewaarders van 't goud en zilver; waterdragers; bloemisten; zonneschermdragers ; hoeders van 't heilige vuur; deurwachters; bleekers 1; koks; pasteibakkers; lofzangers; muziekanten; bewakers van de karavanserai; vrouwen die het toezicht hebben op den rijstvoorraad; rijstpelsters enz.

Met geringe wijzigingen komen dezelfde beambten en bedienden ook voor in de opschriften van Lolei.

De laatste plaats in de registers wordt ingenomen door de lijfeigenen. Bij de opgave van hun namen wordt ook de streek vermeld van waar zij afkomstig zijn. Die lijfeigenen vormden dus eene landbouwkolonie, welke verplicht was tot zekere leveringen aan het heiligdom voor 't onderhoud van de beambten en 't dienstpersoneel. Zij stonden onder de bevelen van eigen hoofden, die natuurlijk wederom ondergeschikt waren aan 't gezag van zekere beambten, van het heiligdom. Het geheel vormde een vrij rechtsgebied en genoot allerlei privilegies door den koning verleend en bekrachtigd door zijn op steen gegrifte edicten. De koninklijke schenkingen waren uitdrukkelijk bestemd voor de eeuwigheid, maar evenals zulks het geval is van alle verdragen dié voor eeuwig heeten gesloten te zijn, zou na verloop van tijd blijken dat alle menschelijke beschikkingen kortstondig van duur zijn. Hoe lang de voorrechten aan de vrome stichtingen door den koninklijken wil gewaarborgd geëerbiedigd zijn geworden, is onbekend, doch men kan wel nagaan dat het gewijd karakter van Qivaïetische heiligdommen verloren ging toen het Zuidelijk Buddhisme de oudere godsdienstvormen verdrongen had. De voorrechten aan den tempel verbonden behoefden daarmede nog niet te vervallen, want men had ze kunnen overdragen op Buddhistische beambten, doch dat is, om welke reden dan ook, niet geschied. De bewoners der nabijgelegen dorpen zijn misschien afstammelingen der landbouwkolonie van lijfeigenen, doch al mocht dit het geval wezen, de heugenis daarvan is bij de tegenwoordige bevolking geheel en al uitgewischt.

Eigenlijk is er niets overgebleven dan bouwvallen en opschriften als getuigen van vervlogen grootheid en vromen zin, en tevens van een hoogere beschaving dan die men heden ten dage in Cambodja aantreft.

1 Dit is zeker wel de beteekenis van 't door den Schr. onvertaald gelaten vannara; het is evenals 't Mal. bënara (in de Woordenboeken gewoonlijk: binara) ontleend aan het Tamil vanriar, m.v. van vannan.

Sluiten