Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een weldadige godin van dertigjarigen leeftijd, genaamd Padjao Yang, wordt vereenzelvigd met de Maan, en beschouwd als ondergeschikte van Po Adityak, d. i. Heer Zon. In Padjao herkent men het oud-javaansch Padjang, maneschijn. Waarom deze godin van dertigjarigen leeftijd is, behoeft geen verklaring: iedereen weet dat een maand gemiddeld 30 dagen telt.

Na de godin behandelt de Schr. de priesters en priesteressen, hunne verplichtingen en werkzaamheden: voorts de godsdienstige feesten en andere plechtigheden, benevens de gereedschappen enbenoodigdheden voor den eeredienst, dat alles opgeluisterd door afbeeldingen. Ook hierbij heeft men ruimschoots gelegenheid om op te merken dat de eeredienst der Tjams een mengsel is van allerlei inheemsche en vreemde bestanddeelen. Naast inlandsche benamingen, voorstellingen en voorwerpen van vereering treft men Indische aan. Alle offeranden en andere godsdienstige ceremoniën eindigen met een handgebaar dat met de Indische Mudra's overeenkomt en met den uitroep: Namag (^ivaya, d. i. Hulde aan £iva, waarvan de beteekenis echter den Tjams niet meer bekend is.

Bepaald Qivaïetisch is ook de vereering van den Linga; daarentegen is de Tjamenei of Samenei, de benaming van zekere hulppriesters, ontleend aan de Boeddhisten, wier monniken ook Samana, d. i. eigenlijk «asceet» genoemd worden. Van ontwijfelbaar Indischen oorsprong is de lijkverbranding, die ook bij de Tjams in zwang is.

De schets die de Schr. geeft van 't uiterlijk der Tjams is kort, maar voldoende voor een werk dat slechts een monografie over een onderdeel der volkenkunde is. Terecht zegt de Schr. dat de Tjams behooren tot de groote volkenfamilie, welke men de Maleisch-Polynesische of Oceanische pleegt te noemen, maar zijne bewering dat zij van Java afkomstig zijn, is een dwaling. Integendeel is men het er vrij wel over eens, dat de bakermat van het Maleisch-Polynesische ras te zoeken is in 't land der Tjams of althans in de Oostelijke kuststreken van Achter-Indië.

De opmerkingen over de taal zijn evenmin vrij van feilen. Vooreerst geeft men van de verhouding van t Tjamsch tot het Maleisch een verkeerde voorstelling als men het doet voorkomen alsof de Maleische vorm van een woord altoos de oude, oorspronkelijke is en de Tjamsche daaruit ontstaan. Het is hier niet de plaats om dit breedvoerig te betoogen, maar we zijn niet gerechtigd kritiek te oefenen zonder ons oordeel met een paar voorbeelden te staven.

Zoo is het o. a. onjuist dat Maleisch api, vuur, en babi, varken, in het Tjamsch apwei en pabwei geworden zijn, want api en babi zijn geen oudere vormen dan apwei en pabwei. Zoowel de Maleische als de Tjam-

Sluiten