Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

«O bruine Naga-koning, die in 't midden des rijks woont, kom om mijn offer te ontvangen. O Naga-koning, die aan de grenzen des rijks woont, kom om mijn offer te ontvangen. O gevlekte Naga-koning, die in het rijk woont, kom om mijn offer te ontvangen. Komt allen en verzadigt u, zelfs zij die beginnen te kruipen en de pasgeborene. Ik verzoek al deze goddelijke wezens om mij een heilmiddel te brengen. Ik roep de hulp in dezer groote goddelijke wezens, ik vrees (bij 't bouwen van mijn huis) de huid van den buik des Naga-konings te raken. Ik wil een haardstede bouwen, maar ik vrees de zijde des Naga-konings te raken. Ik wil een stal maken voor mijne runderen, maar ik ben bang de kinderen en kleinkinderen des Naga-konings te verwonden. Ik noodig den witten Naga-koning uit om te gaan wonen aan het strand. Ik noodig den bruinen Naga-koning uit om te gaan in den top van den berg. Ik noodig ook den gevlekten Naga-koning uit om te gaan wonen binnen in den berg. O machtige goddelijke wezens, bedekt niet de aarde met puin; blijft in de onderaardsche gewesten, gij slangen die den naam draagt van Hond en Kat, Os en Buffel. Machtige goddelijke wezens, stapelt niet de wolken op boven het hoofd der menschenkinderen.»

Terecht maakt de Fransche vertaler de opmerking dat dit stuk zeer duister is. Het geheimzinnige en raadselachtige is niet minder een karaktertrek van soortgelijke liederen bij andere Maleisch-Polynesische volken dan het grillige in de voortbrengselen hunner fantasie. Tevens moet echter opgemerkt worden dat Indische invloed op den inhoud merkbaar is, vooral aan de eigennamen der slangen.

Aangezien slangenvereering in 't volksgeloof der Indiërs eene niet onbelangrijke plaats inneemt, kan de vraag rijzen of ze ook bij de Tjams bestond vóór hun aanraking met de Indische kolonisten. Let men op hetgeen van dien aard bij de stamverwanten der Tjams wordt aangetroffen, bij Indonesische en Polynesische volken, en ziet men hoe ook bij dezen de slangen in geloofsvoorstellingen en mythologie eene gewichtige rol spelen, dan komt men tot de slotsom dat slangenvereering bij de volken van 't MaleischPolynesische ras inheemsch was, al heeft de invloed van 't Hindoeisme die versterkt of gewijzigd. 1

Hiermede meenen wij genoeg gezegd te hebben om de aandacht van den Hollandschen lezer te vestigen op het werk van den heer Cabaton, welks inhoud als materiaal ter vergelijking ook voor de volkenkunde van den Indischen Archipel groote waarde heeft.

1 Dezelfde meerling is reeds uitgesproken en met voorbeelden gestaafd door den heer C. Pleyte in het Tijdschrift Globus, LXY (1894), No. 6 en 11.

Sluiten