Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

want tusschen Java en Kambodja bestaat ten aanzien van den invloed, door de Indiërs op beide landen uitgeoefend, eene zóó groote overeenkomst dat die niemand ontgaan is.

De Khmers, die de inheemsche bevolking vormen zoowel van 't hedendaagsche koninkrijk Kambodja als van de oostelijke provinciën van Siam, behooren tot een geheel ander menschenras dau hun naaste buren, de Tjams, welke leden zijn van de Maleisch-Polynesische familie, en de Siameezen of Thai's, welke stamverwanten zijn van de Chineezen, Tibetanen en Burmeezen. Zij zijn daarentegen verwant met de Mons, Talaings of Peguanen, en met de Kolarische stammen in Voor-Indië, als daar zijn de Santhals, Munda's, enz. Vermoedelijk zijn zij dus in een heel vèr verleden uit het Westen gekomen, lang vóórdat Dravida's en Ariërs zich in VoorIndië vestigden en de Kolariërs naar de woeste bergstreken terugdrongen. In tegenstelling tot hun Kolarische rasgenooten, die nog heden ten dage halve wilden zijn, hadden de Khmers reeds in 't begin der Middeleeuwen een zekeren graad van beschaving bereikt en hebben zij getoond, onder Indischen invloed, een machtigen en bloeienden staat te kunnen vormen. Waaraan dit verschil is toe te schrijven, valt moeielijk te zeggen; misschien aan eene vroegtijdige vermenging der Khmers met de Tjams, wier taal althans een diep ingrijpenden invloed op het Khmersch heeft uitgeoefend; misschien aan de gunstiger bodemgesteldheid. Waarschijnlijk hebben beide oorzaken samengewerkt om de Khmers meer ontvankelijk te maken voor de beschaving der Indiërs, die reeds vroeg de geestelijke en wereldlijke heerschers des lands geworden zijn.

Het is onmogelijk, althans vooralsnog, nauwkeurig den tijd te bepalen van de eerste rechtstreeksche verbindingen van Voor-Indië met het oosten van Achter-Indië en met den Indischen Archipel, maar het feit dat bij den Alexandrijnschen geograaf Ptolemaeus in de 2de eeuw na Chr. ettelijke zuiver Indische plaatsnamen in die streken voorkomen, wettigt de gevolgtrekking dat reeds vóór 't begin van onze jaartelling Indische volkplanters zich daar gevestigd hadden. Met zekerheid weten wij dat de Chineesche pelgrim Fa-hian in 411 na Chr. op Java veel brahmanen aantrof, en eenige Sanskrit-inscripties van omstreeks denzelfden tijd, zoowel op Java als in Koetei op Borneo gevonden, kunnen, in verband beschouwd met Fa-hians bericht, aangevoerd worden als bewijzen dat de Indische invloed zich reeds geruimen tijd vroeger in die gewesten heeft doen gelden. Uit de bij Ptolemaeus vermelde stedenamen moet men opmaken dat ze afkomstig zijn van Indische kolonisten, die zich blijvend in 't land gevestigd hadden. Die kolonisten hebben door hun hoogere beschaving zoodanig het overwicht erlangd over de massa der inheemsche bevolking, dat zij als geeste-

Sluiten