Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

opvolger Dharanïndravarman tot koning wijdde, en evenzoo, nadat deze overleden was in 1112, Süryavarman II.

Deze laatste, die zeer jong aan 't bewind kwam, wordt geroemd als een groot krijgsman, bekwaam regent en vroom Qivaïet, die zich verdienstelijk maakte door zijne milde schenkingen aan zijn leermeester en andere brahmanen. Wanneer in een opschrift getuigd wordt dat hij «het in eene zee van rampen gedompelde rijk in zijn vorigen staat herstelde», dan isditniet te beschouwen als ijdele grootspraak, want gelijktijdige Chineesche berichten bevestigen het, dat Kambodja toen een groot, machtigen bloeiend rijk was, zich uitstrekkende van Tjampa in 't Oosten tot Pegu in 't Westen, en tot Kalah in 't Zuiden.

Aan Süryavarman II schrijft Aymonier den bouw toe van 't vermaarde Angkor Vat. Op verschillende gronden meent hij te mogen aannemen dat de geniale architekt niemand anders geweest is dan de brahmaan Divakara. Doch dit alles is ver van zeker, en 't eenige wat met waarschijnlijkheid mag beweerd worden, is dit, dat de stichting moeielijk na Süryavarman II kan gesteld worden, omdat in de tweede helft der 12dc eeuw Kambodja in een staat van uitputting verkeerde.

Tegen 't midden der 12de eeuw beginnen de groote oorlogen met Tjampa, die met afwisselend geluk gevoerd, stellig niet weinig tot het verder verval van Kambodja hebben bijgedragen, al gelukte het aan Jayavarman VII in 1190 de hoofdstad van Tjampa te bemachtigen en 't geheele land bij zijn rijk in te lijven. Hij breidde de grenzen van zijn rijk zelfs verder uit dan een zijner voorgangers, doch dit werd juist eene bron van zwakte, want de onderworpen volken, Siameezen, Peguanen en Tjams, dienden niet dan met weerzin in de legers van den veroveraar. In 1203, twee jaren na den dood van Jayavarman VII, zocht een Tjamsche prins hulp bij den koning van Tongkin, die daaraan een gewillig oor leende. Na een hevigen strijd zagen de Kambodjanen zich genoopt Tjampa te ontruimen.

De gevaarlijkste vijanden werden de Siameezen in 't laatst der 13deeeuw. Eeuwen lang hadden de Siameezen, toen zij nog in het noordelijk gedeelte van het tegenwoordige koninkrijk Siam woonden, het oppergezag der Khmers erkend en nog in 1233 vinden wij ze in 't leger van Kambodja. Eerst tegen 't eind der 13de eeuw schudden de Siameezen, onder aanvoering van Phya Ruang, het Kambodjasche juk af, verwoestten het land en strekten hun veroveringen uit tot den Mekhong in 't Oosten en tot Ligor op het Maleische schiereiland zuidwaarts. Van toen af, kan men zeggen, taande de luister van 't rijk der Khmers hoe langer zoo meer, en wies daarentegen de macht van Siam.

Met het einde der 13de eeuw houden de Sanskrit-inscripties geheel op.

Sluiten