Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dit feit hangt samen met de verdringing van 't Brahmanisme en Mahayanisme door 't Zuidelijk Buddhisme, dat reeds lang te voren van Ceilon uit verbreid was in Arakan, Birma en Siam. Ten bewijze van die geloofsverandering, waarvan wij de beweegredenen bij t volk niet kunnen naspeuren,

want daaromtrent ontbreekt het aan berichten, strekken de latere

opschriften in de landstaal, soms vermengd met uitdrukkingen in 't Pali, de taal, zooals men weet, van de kanonieke boeken der Zuidelijke Buddhisten.

De hier bedoelde opschriften zijn in grooten getale te lezen te Angkor Vat, waar ze aangebracht zijn op de pilaren der galerijen van dit veelbewonderde, oorspronkelijk Brahmanistische prachtgebouw, nadat het ter beschikking der Buddhisten was gekomen. Een zeer lange inscriptie, van den jare 1702, staat op den achterwand van een der vertrekken. Alle zijn van de 15de eeuw en later; een er van dagteekent zelfs van 1856; ze hebben dan ook geen betrekking op de geschiedenis van den bouw van Angkor Vat; voor 't meerendeel zijn ze bestemd om de herinnering te bewaren aan de bedevaarten en goede werken waar het heiligdom het voorwei p van was. Eene uitzondering maakt de lange inscriptie van 1702, geheel in dichtmaat, waarin de vervaardiger, na uiting gegeven te hebben aan zijne gevoelens van diepen eerbied voor den Buddha, de Drie Kleinooden, enz., uitweidt over zijne eigene vrome verdiensten, en op grond hiervan de hoop uitspreekt in eene volgende geboorte de alwetendheid, het Nirvana, te bereiken.

Zoo alle deze latere opschriften weinig of niets behelzen van eenig aanbelang voor de geschiedenis, hebben ze toch waarde als onwraakbare getuigen van 't verschil in geestelijke beschaving tusschen t oude en t latere Kambodja. Na 1300 is er verandering gekomen, geen herleving: het tijdperk van bewonderenswaardige bouw- en beeldhouwwerken was voorbij,

onherroepelijk voorbij.

Het kan niemand, die eenigszins vertrouwd is met de geschiedenis van 't Middeleeuwsche Java, ontgaan dat er tusschen dit eiland en Kambodja veel overeenkomst bestaat ten aanzien van de opkomst, den bloei en t verval van 't Hinduïsme in beide landen, die men met recht geestelijke wingewesten van Indië zou kunnen noemen. In beide gewesten heeft de Indische beschaving nagenoeg gelijktijdig hare intrede gedaan; in beide hebben Brahmanisten en Mahayanisten vreedzaam naast elkander geleefd en pronkstukken van bouw- en beeldhouwkunst voortgebracht; in beide is na groote machtsontwikkeling ras een tijdperk van uiterlijk en innerlijk vei val gevolgd. In 't midden der 14de eeuw had Java onder Hayam Wuruk het toppunt van macht en luister bereikt. Aan het trotsche Madjapahit gehoor-

Sluiten