Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Na een vluchtigen blik geworpen te hebben op de voornaamste overblijfselen der oudheid in de omstreken van Angkor Thom, zullen wij de merkwaardigheden van dezen ouden vorstenzetel in oogenschouw nemen. Angkor Thom, d. i. de Groote Stad, uit angkor, eene verbastering van 't Sanskrit nagara, en het Khmersche woord voor «groot», eertijds genoemd Kambupuri en Yagodharapura, moet gesticht zijn omstreeks 900 na Chr. Na een vijftiental jaren onder de regeering van twee koningen verlaten te zijn geweest, werd ze weder de hofstad van Rajendravarman in 944 of daaromtrent. Van toen af tot den tijd van de invallen derSiameezen in de 14de en I5de eeuw schijnt het de gewone verblijfplaats der Kambodjasche koningen gebleven te zijn.

De stad beslaat eene vierkante ruimte, welke omgeven is dooreen breede gracht en machtige wallen. Vijf groote wegen geven door even zooveel poorten toegang tot het inwendige der stad. Ofschoon de omvang bijna drie uur bedraagt, dus vrij aanzienlijk is, vertoont Angkor Thom meer het karakter van een weidschen Kraton of iets als het Kreml van Moskou dan van wat wij eene stad plegen te noemen. Het was eene versterkte plaats, waarvan de ruimte was ingenomen door 't koninklijk paleis met bijbehooren, door verscheiden groote en kleine heiligdommen, door andere openbare gebouwen, pleinen, en vijvers. Behalve de lieden van 't koninklijk huis, mandarijnen en soldaten, kan slechts een beperkt aantal menschen er gehuisd hebben. Neringdoenden, koop- en ambachtslieden, kortom de geheele burgerij woonde in den omtrek, waar ook de markten en de openbare parken waren.

De vijf straatwegen of bruggen welke toegang gaven tot de stad, — waarvan twee alleen aan de Oostzijde — waren afgezet met eene balie aan weerszijden, waarvan ieder 54 reuzenbeelden in zittende houding vertoonde.

Het inwendige der stad is tegenwoordig een wildernis, begroeid met slingerplanten, bamboe doeri en de groote boomen van een dicht, voor Europeanen ondoordringbaar bosch, het verblijf van wilde dieren en slangen. Alleen het middengedeelte der plaats, waar de merkwaardigste overblijfselen bijeenstaan, is langs eenige paden toegankelijk. Gewoonlijk betreden de Europeesche onderzoekers de stad door de Zuiderpoort en volgen dan een pad dat door 't bosch regelrecht naar 't Noorden leidt. Wanneer men een eind weegs heeft afgelegd, bereikt men een gehuchtje en in de nabijheid overblijfselen van Buddhistische pagoden en kolossale Buddhabeelden.

Een weinig ten Noorden van 't gehucht, nog vóórdat men de bouwvallen van 't koninklijk paleis bereikt, treft men een vierkante gedenkzuil aan, waarvan de zijden met eene lange Sanskrit-inscriptie bedekt zijn. De zuil is

Sluiten