Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Onder alle overblijfselen der Kambodjasche oudheid is Angkor Vat het meest bekende en best bewaarde. Het is dan ook het omvangrijkste bouwwerk, het meest grootsche in opzet en het indrukwekkendste, hoewel in oorspronkelijkheid de palm misschien aan Bayon moet toegekend worden.

In afwijking van den gewonen regel is Angkor Vat met de voorzijde naar 't Westen gekeerd. Het volgens een weinig ingewikkeld plan, hoezeer op heel ruime schaal aangelegde geheel, omvat: een ringmuur, een breede gracht en muur rondom een uitgebreid park, waar waterbekkens en bijgebouwen een plaats vinden; een groot terras vóór het hoofdgebouw, dat met zijne drie concentrische galerijen boven elkaar oprijst, welke galerijen met elkaar verbonden zijn door andere galerijen en trappen, en open plaatsen insluiten met symmetrisch gerangschikte alleenstaande huisjes; deze galerijen hebben negen torens, waarvan de hoogste, in 't midden der derde

verdieping, het hoofdgebouw dekt.

Alle zichtbare gedeelten van het geheel zijn gebouwd van grijsachtigen zandsteen, met uitzondering van de bekleeding der groote gracht en van de grondvesten van den eigenlijken tempel.

Men zou Angkor Vat een eiland kunnen noemen, want de gracht die het aan vier kanten omgeeft heeft eene breedte van tweehonderd meter. De geheele omtrek van de plaats bedraagt 5540 meter, dus een uur gaans. Over het water voert een dam naar de weidsche staatsiepoort, welke bijna een derde van de westzijde der insluiting inneemt. Eigenlijk is die poort een voorwerk, een kunstig samenstel van drie poorten met hooge koepels,

van voorportalen en kruisgangen.

Veel minder aanzienlijk zijn de poortgewelven aan de drie andere zijden van den buitenmuur. De versiering dezer poorten is onvoltooid gebleven, al ontbreekt ze niet geheel. Zoo kan men op een der ruimten tusschen 't lijstwerk der Noorderpoort een afbeelding opmerken van Visnu met zijn voet op een ter aarde geworpen reus; op een boog nogmaals denzelfden god, die 't hoofd van een gevallen vijand vertrapt. Aan de Oosterpoort ziet men den Reuzenvorst Ravana afgebeeld met een talrijk gevolg van

I^.cLksciSci's»

Als men door de staatsiepoort het park bereikt, wordt men getroffen door een verrassend uitzicht. Voor zich ziet men een met zandsteen geplaveide baan, afgezet met veelkoppige Naga's; iets verder twee gebouwtjes, een aan elke zijde van 't pad; recht vooruit, op een afstand van vierhonderd meter, rijst statig het hoofdgebouw omhoog, met zijn open gaanderijen, bedekte zuilengangen, trapswijze opklimmende daken en hooge koepels duidelijk zichtbaar, alles omlijst als het ware door het maagdelijk bosch dat het park bedekt.

Sluiten