Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heet te zijn «a figure of Maha Deva as a devotee.» Het is echter in werkelijkheid Sinha Natha-Lokesvara. Plaat 28 wordt genoemd «a representation of Siva». Het is in werkelijkheid Lokesvara Bhagavan of Padmapani, in zijn karakter van schepper en beheerscher van het tegenwoordig stelsel der natuur. Hoe de Heer Crawfurd het voor Qiva kon aanzien, begrijp ik niet, daar op het voorhoofd een klein beeldje zichtbaar is van Amitabha Buddha, wiens zoon volgens de Buddhistische fabelleer Padmapani is.»

Hier zullen wij onze aanhaling staken, om eenige bedenkingen tegen den inhoud er van te opperen. Daargelaten dat het betoog hier en daar te veel het karakter draagt van een pleidooi, en daargelaten eenige scheeve voorstellingen, zooals de bewering dat de oude godsdienst der Javanen Buddhisme was, is de grondslag van die schijnbaar geschiedkundige, in werkelijkheid grootendeels zuiver bespiegelende beschouwingen tamelijk wrak. Hodgson stelt het voor, alsof het Nepalsche en meer in 't algemeen het Mahayanistische Buddhisme, identisch is met het Buddhisme. Hij wist niet, en kon ter tijd kwalijk bevroeden, dat het oudere, meer oorspronkelijke Buddhisme vertegenwoordigd wordt door de Zuidelijke afdeeling der Kerk, en dat het Mahayana eene latere ontwikkeling, of zooals sommigen het noemen, verbastering is van de echte leer. Over dit punt zijn sinds geruimen tijd allen die zich met Buddhistische studiën hebben beziggehouden , hoe uiteenloopend hunne gevoelens over den oorsprong der leer ook zijn mogen, het volkomen eens. Om het echt Buddhistisch karakter van zekere beelden op Java te betoogen wijst Hodgson ze toe aan Loke?vara, anders genaamd Padmapani, Avalokitegvara enz., en beroept zich zegevierend op het figuurtje van Amitabha. Edoch, èn Lokegvara èn Amitabha, mitsgaders alle overige Dhyani-buddha's en Dhyani-bodhisattva's en C^akti's of Tara's, alsook Manjugrï, het zijn alle onbekende grootheden in het oudere Buddhisme. Wat meer zegt, terwijl de ouderwetsche Buddhisten Brahma, Indra en andere goden van het Hinduïsme erkennen en vereeren, weten zij nog niets van Avalokitegvara, Manjugrï, enz. Deze laatsten zijn dus niet algemeen Buddhistisch, zijn later in zwang gekomen en dat nog maar bij ééne groote afdeeling der Kerk. Hoe zijn zij ontstaan? Slechts twee wijzen van ontstaan zijn mogelijk: óf die figuren zijn eene zelfstandige uitvinding van de Mahayanisten öf ze zijn overgenomen van anderen. In het eerste geval is het vreemd dat die figuren zulk eene bedriegelijke gelijkenis vertoonen met (^ivaïetische, zoodat het waarlijk voor de hand ligt aan te nemen dat in het Mahayana een sterke Qivaïetische invloed is werkzaam geweest, een invloed waarvan de Zuidelijke Kerk geheel vrij is gebleven. Inderdaad, Hodgson geeft zelf toe dat bedoelde beelden en zinnebeelden aan de (^ivaïeten ontleend kunnen zijn, maar hoe kan men dan in eenen

Sluiten