Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

want toen de Buddha, na tot volkomen wijsheid ontwaakt te zijn, besloot zijn diepzinnige en moeielijk te begrijpen heilleer maar niet aan anderen mede te deelen, uit hoofde van al den last dien de verkondiging er van zou na zich slepen, daalde de Groote Brahma tot hem neder en wist hem met eenige welgekozen dichtregelen te overreden de groote taak te aanvaarden. 1 Hiermede komt bijna letterlijk overeen de voorstelling in den LalitaVistara 515, vgg.

In zeker opzicht van nog meer gewicht is het getuigenis der oude beeldhouwwerken, in zooverre men namelijk bij deze niet denken kan aan interpolaties, tekstwijzigingen en andere middeltjes die Europeesche «critici» te baat nemen, wanneer een of andere tekst hun eenmaal opgevatte meening hinderlijk in den weg staat. Op de beeldhouwwerken dan van den Stüpa te Bharhut, welke, naar het letterschrift te oordeelen, van de tweede eeuw vóór Chr., of misschien reeds het einde der derde, dagteekenen, komen voor in afbeelding en bijschrift o. a. de godenzaal Sudharma en het paleis Vijayanta, waar Visnu troont; de god Kubera en de godin Sirima, van welke laatste men echter niet met zekerheid zeggen kan of zij met £rï dan wel met eene andere godin te vereenzelvigen is. 2

Zoover men het Buddhisme kan nagaan, is er geen tijdperk der geschiedenis aan te wijzen waarin het geen zoogenaamd Brahmanistische godheden vereerde. Welk eene belangrijke rol Indra of (^akra en Brahma in de heilige geschiedenis van den Leeuw uit het geslacht der Qakva's spelen, daaraan hebben wij zoo straks reeds herinnerd. Nu zou het toch ijdel woordenspel wezen, te beweren dat bijv. de £akra der Buddhistische heilige schrift «radicaal» een ander wezen was dan de algemeen Indische £akra. Het wezen onder dien naam aangeduid is en blijft één, al moge de rang dien de eenen aan hem toekennen hooger of lager zijn dan dien de anderen hem geven. Als twee personen A en B een verschillend oordeel uitspreken over een derden, C, als zelfs A hem te recht of te onrecht eenige andere eigenschappen toeschrijft dan B, dan verandert C er toch niet om. C blijft C, al noemt A hem een baron, terwijl B hem met Mijnheer aanspreekt.

Wanneer men de Indische goden in het oudere Buddhisme vergelijkt met die in het Mahayana, openbaart zich terstond een duidelijk onderscheid. In het eerst treden op den voorgrond dezelfde goden die ook in de twee groote Indische heldendichten en in de Krsnamythen verheerlijkt worden. Zij behooren om zoo te zeggen tot den Visnuïetischen cyclus; het hoogste wezen is de metHari op mystieke wijze vereenzelvigde Purusottama, gelijk reeds in de meeste Upanisads. In den Vedanta, die eene regelmatige

1 Mahavagga (ed. Prof. Oldenberg, 1879) 1, 5.

2 Zie Cunningham's Stüpa of Bharhut (1879), plaat XVI, 1; XXII, 1; XXIII, 1.

Sluiten