Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zoon van Sudasa en vatte aanstonds het even koene als menschlievende voornemen op om den verdoolde op het pad der deugd terug te voeren. Onverschrokken begaf hij zich naar de plaats waar Kalmasapada zich bevond en zag daar den onmensch in al diens afzichtelijkheid. Deze, niet weinig verheugd dat de prooi dien hij zocht hem zoo gemakkelijk in handen viel, draalde niet met hem aan te grijpen, nam hem op den forschen schouder en ijlde met hem naar zijne veste. De met lijken bezaaide en met bloed bespatte bodem, de rosse gloed der flikkerende vuren, het akelig gejank der jakhalzen, het gekrijsch der gieren en kraaien op de verschroeide takken der boomen welker stammen zwart waren geworden van den rook der opgerichte brandstapels — dat alles vormde een schouwspel, wel geschikt om het hart van den moedigste te doen ineenkrimpen. Op onzen Bodhisattva maakte dit alles niet den minsten indruk. Hij dacht aan den brahmaan, die zich zeker gevleid had eene schitterende belooning voor zijn verzen te zullen ontvangen en nu, in zijne billijke verwachting teleurgesteld, daar te huis achtergebleven was. Deze gedachte roerde Sutasoma zóó zeer, dat de tranen hem in de oogen schoten. Saudasa schreef de droefheid van den Prins aan andere oorzaken toe, aan laffe vrees voor den dood en aan de smart over de scheiding van bloedverwanten en vrienden. Hij liet niet na, dat te kennen te geven en voegde er schamper aan toe dat hij zulk eene zwakheid eigenlijk van Sutasoma niet verwacht had, daar hij dezen steeds als een man van karakter had hooren roemen. De Prins verzekerde den Menscheneter dat deze zich in de ware beweegredenen van zijne droefheid vergiste; wat hem griefde, was dat hij den brahmaanschen dichter zijns ondanks had teleurgesteld. «Wel aan», vervolgde hij, «geef mij vrijheid om heen te gaan en de wenschen van den dichter te vervullen. Zoodra ik diens spreuken gehoord heb, keer ik tot u terug.» Hoewel aanvankelijk niet genegen om dat verzoek in te willigen, liet de Menscheneter zich eindelijk toch overreden. «Ga dan», zeide hij, «voldoe aan de wenschen van dien brahmaan, en keer spoedig terug; ik zal onderwijl uwen brandstapel in gereedheid brengen.»

De Bodhisattva ijlde naar huis, liet onverwijld den brahmaan roepen, hoorde uit diens mond vier schoone zedespreuken en beloonde den dichter recht vorstelijk. In eene daarop volgende ontmoeting met zijnen vader den Koning, putte deze zijne overredingskracht uit om zijnen zoon terug te houden van de roekelooze daad zich opnieuw in de macht van den Menscheneter te begeven, doch het baatte niet. Sutasoma betoogde dat hij het gegeven woord niet mocht en kon schenden, en, met geen ander geleide dan zijn gerust geweten, zocht hij welgemoed den zoon van Sudasa weder op.

Toen deze den Prins in de verte zag aankomen, kon hij zich niet weer-

Sluiten