Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

komen, is veel uitvoeriger beschreven. Wij vernemen o. a. hoe Sutasoma, die eene groote neiging tot het bespiegelend leven had, een tijd lang als heremiet in den Himalaya leefde en niet dan met groote moeite kon overgehaald worden om zich met de bekoorlijke Prinses CandravatI te verbinden, eene verbintenis die voor 't heil der wereld noodzakelijk was. Wat Sudasa s zoon betreft, diens krijgstochten om het noodige getal Ksatriya's voor zijn beoogd menschenoffer meester te worden, vullen ettelijke bladzijden. Meer in t bijzonder staat de dichter stil bij den heftigen kamp, dien I urusada met zijn ontelbaar heir van reuzen, hellewichten en andere geesten der duisternis voert tegen den heldhaftigen koning van Ceilon, Jayavikrama, die met het zwaard in de vuist sneuvelt en daardoor Purusada's hoop om hem gevangen te nemen ten eenen male verijdelt. De weduwen v an Jaj avikrama volgen haar gemaal in den dood. Dit is eene opmerkelijke bijzonderheid om meer dan ééne reden, maar vooral omdat het op zich zelf reeds voldoende bewijst dat de dichter geene Buddhistisch Singaleesche bron kan gebruikt hebben. Hij moet zelfs geheel onkundig geweest zijn van de zeden van het Buddhistische Ceilon.

Van de verschillende namen waaronder Sudasa's zoon in het gedicht voorkomt, zijn er twee die in de ons bekende Indische bewerkingen der legende ontbreken, namelijk Jayantaka (slecht gespeld Jayantaka) en Sudanda, wier verklaring wij hier achterwege zullen laten, omdat wij anders een betoog zouden moeten leveren dat de mythische grondslag der legende geen andere is dan de bekende Rahumythe, een betoog waarvoor het hier de plaats niet is.

Over 't algemeen is het gedicht zeer rijk aan Indische persoons- en plaatsnamen, daaronder enkele die zeer zeldzaam zijn, bijv. Vaila (eigenlijk Vaija, en naar slechte Noord-indische spelling Vaida, d. i. Vorst van Vi]a-land). 1 De woonplaatsen der handelende personen, hun familiebetrekkingen en gedeeltelijk de geschiedenis van hun geslacht worden in 't gedicht vermeld, en wel met niet geringere aardrijkskundige kennis dan men in Indische geschriften pleegt aan te treffen. Om met den hoofdheld te beginnen vernemen wij dat hij, de Bodhisattva, op aarde nederdaalde om geboren te woiden als de zoon van Mahaketu, een Kurutelg, Koning van Hastina, en van I rajnakar! (of Prajnadharï, zooals zij ook genoemd wordt), dochter van Subala. Op den bepaalden tijd ontving de jonge prins den naam van Sutasoma. Zijn latere tegenstander, Saudasa, heerschte te Ratnakhanda een naam, die, terloops zij het gezegd, in Indië nog niet is weergevonden, althans voor zoover ons bekend is.

Een^ dorre opsomming van namen in denzelfden trant is geheel overbo1 Zie Indian Antiquary VI (1877), 92-93; VII (1878), 302-303.

Sluiten