Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dig: er is genoeg gezegd om het vermoeden te wettigen dat Tantular, welke opsmukkingen hij zich ook veroorloofd en hoeveel hij ook uit zijne eigene verbeelding geput moge hebben, zeer zeker eenen tekst tot grondslag heeft gebruikt waarin die namen, althans voor het meerendeel voorkwamen. Dat hij een ouder Buddhistisch gedicht tot voorbeeld gehad heeft, zegt hij ons trouwens zelf in deze woorden (fol. 2,a): Purvvaprastava ning parvvaracana ginëlar sangka ring boddhakavya. D. i. «De bron waaruit bij de vervaardiging van dit boek geput is, is het Bauddhakavya.»

Het is dus niet twijfelachtig dat Tantular bij de samenstelling van zijn gedicht een voorbeeld volgde; de vraag is alleen hoedanig die bron was. Hierop nu weten wij vooralsnog geen bescheid te geven, doch zooveel mogen wij als zeker stellen dat bedoeld werk aanmerkelijk afweek van de ons bekende bewerkingen der legende van Sutasoma in Indië en op Ceilon. Verder mogen wij het vermoeden uitspreken dat het eene Mahayanistische omwerking der legende bevatte of althans eene sterk gekleurde Mahayanistische tint had. Dit vermoeden steunt — want ook een vermoeden moet op deugdelijke gronden steunen — op de volgende feiten.

In de eerste plaats is ons geen andere vorm van Buddhisme op Java bekend dan 't Mahayana. Reeds in de alleroudste Buddhistische inscriptie, uit Kalasan, aan de godin Tara gewijd, van den jare 700 £aka — 778 A. D. ontmoeten wij het Mahayana volledig ontwikkeld. 1 Alle bouwwerken en beelden op Java leggen verder getuigenis af omtrent het Mahayanistisch karakter van 't Javaansche Buddhisme. Ten tweede komt in aanmerking dat Tantular zelf een aanhanger was van het Mahayana; zijn geheele werk is een doorloopend bewijs er van. Het woord mahayana, of zooals hij pleegt te spellen: mahayana, is een zijner lievelingsuitdrukkingen; hij bezigt het in den zin dien men oudtijds aan arya, nu eens substantief, dan weêr adjectief hechtte.2 Ten derde is de plaats die de bodhisattva genaamde wezens in het stelsel innemen, eene andere dan bij de ouden. Bij de laatsten, men weet het, is de bodhisattva een Buddha in spe, anders gezegd: de Buddha in eene vroegere phase van ontwikkeling. Zulk een Bodhisattva van den ouden stempel is bij £üra en in den Pali-canon onze Sutasoma, die, wie weet hoeveel Aeonen, vóór den Leeuw der (Jakya's op aarde verwijlde. Niet aldus in het Javaansche gedicht: daar is de Bodhisattva Sutasoma een Avatara van den grooten Qakyasimha (fol. 2, b), en wel in

1 Het stuk is 't eerst ontcijferd en verklaard door Dr. Brandes in Tijdschrift v. Indische T. L. en Vk., dl. XXXI (1886).

2 Het heeft al den schijn of Tantular het gebruik van arya in toepassing op geestelijke personen vermeden heeft; dan dit vindt misschien zijne verklaring in de omstandigheid dat arya bij de Javanen bij voorkeur als titel van Ksatriya's in zwang was en gedeeltelijk nog is.

Sluiten