Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ken — voor Sutasoma nederboog, «gelijk de god Varuna het eenmaal deed voor Rama-candra», die luisterrijke openbaring van Hari, den Leeuw onder de helden (fol. 123, b). Met andere woorden: de Duisternis, de Dood, is minder dan, is vervat in het Eeuwige grondelooze licht, het leven wekkende element des Heelals, de aether, zooals sommigen het noemen.

Men zou kunnen zeggen dat wanneer Varuna, een vorm van Qiva, zich nederbuigt voor Rama, een deel (amga) van Hari, en wanneer daarmede vergeleken, d. i. gelijk gesteld wordt 1 de onderwerping van Mahakala aan Sutasoma, daarin toch ligt opgesloten de erkenning van Hari's, al. Buddha's meerderheid. Tot op zekere hoogte is dat ook zoo; ook het Mahayana heeft den oorsprong van het Buddhisme uit Visnuïetische elementen niet verloochend, maar even als de Hindu's gelooven en leeren —zonder verlof daartoe van Europeesche geleerden gevraagd te hebben of te vragen — dat Visnu en Qiva bij slot van rekening één zijn, zoo verklaart Tantular dat (Jiva en Buddha één zijn. 2 Men hoore in welke bewoordingen hij zulks doet. Op fol. 120, a van het Leidsche Hs. leest men:

Hyang Buddha tanpahi £iva raja deva ||

Rvanekadhatu vinuvus, vara-Buddha vigva;

bhinneki rakva ring apan këna parvvanosën |

mangka Jinatva lavan (^ivatatva tunggal,

bhinneka tunggal ika tan hana dharmma mangrva ||

D. i. «God Buddha verschilt niet van Qiva, den opperste der goden. Beiden heeten veel elementen te bevatten; de verhevene Buddha is het Al. Hoe kan men hen, (in zeker opzicht) onderscheidbaar, overijld in tweeën scheiden? Het wezen van Jina en het wezen van £iva zijn één. Zij zijn onderscheiden en zij zijn één: in de Wet is er geen dualisme.»

Brengt men deze woorden in verband met de boven aangehaalde waar de Buddha gelijkgesteld wordt met de Trimürti, en tevens met een paar uitingen over de Dhyani-buddha's, aanstonds mede te deelen, dan komt men tot de gevolgtrekking dat Tantular aan den naam en de anthropomorphische voorstelling van het Hoogste Wezen slechts eene ondergeschikte waarde toekent; dat voor hem het Allerhoogste wezen eenvoudig is het param brahma, de lóyog, die zich èn in den Makrokosmos èn in den Mikrokosmos van eeuwigheid tot eeuwigheid op verschillende wijzen en in verschillende vormen openbaart. De dienaren en werktuigen van die, in abstracta beschouwd, eeuwig in rust verkeerende Rede, zijn de Dhyani-

1 Vergelijking is in de taal der mythologie gelijkstelling.

1 Reeds in Egveda I, 50, 6 en 7 ligt de erkenning opgesloten dat Varuna en Süvya twee namen zijn voor het hoogste wezen. Yaska (in Roth's uitgave (1848-1852) p. 175) doet vergeefsche moeite den duidelijken tekst te verwringen.

Sluiten