Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ernst Windisch, Mara und Buddha. (Abhandlungen der philologisch-historischen Classe der Königl. Sachsischen Gesellschaft der Wissenschaften, Bd. XV, N°. IV). Leipzig, S. Hirzel. 1895.

De legendarische strijd van Mara den Booze tegen den Buddha neemt in de gewijde oorkonden der Buddhisten zulk eene voorname plaats in, dat het alleszins der moeite waard is dat onderwerp in eene monographie te behandelen, en wanneer dit geschiedt op zoo'n grondige en bezadigde wijze als in de voor ons liggende verhandeling van Prof. Windisch, dan heeft de schrijver aanspraak op den dank van alle belangstellenden.

Het doel dat Windisch zich gesteld heeft, is, op grond van een kritisch onderzoek van verschillende stukken die op de Mara-legende betrekking hebben of daarmede in verband kunnen gebracht worden, de oudste gedaante der legende op te sporen, en voorts, voorzoover doenlijk, de latere ontwikkelingen der legende na te gaan. Bij dat onderzoek doen zich zooveel vraagpunten voor, dat wij geen kans zien om in 't kort bestek van eene aankondiging den schrijver op den voet te volgen. Wij zullen ons dus moeten bepalen tot het mededeelen van den hoofdinhoud der verhandeling en tot eenige losse opmerkingen.

In Cap. I vergelijkt W. het Padhanasutta met den paralleltekst in Lalitavistara XVIII; eene derde redactie voorkomende in Mahavastu wordt door hem later in het Aanhangsel behandeld. De slotsom waartoe de onderlinge vergelijking der stukken hem leidt, is dat de Pali-redactie, behoudens een paar ondergeschikte punten, de meest oorspronkelijke is. Die uitkomst zal wel bij niemand tegenspraak ontmoeten.

In Cap. II wordt het Mahaparinibbanasutta gesteld tegenover 't Divyavadana, en voor het gedeelte waarin Mara den Buddha aanspoort om vóór den bepaalden tijd het Parinirvana in te gaan, ook met den Lalitavistara. Als men den Lalitavistara uitzondert, is er in de overige overleveringen tweemaal sprake van zulk eene aansporing van Mara, eens kort na Buddha's Sambodhi, en de tweede maal kort vóór zijn Parinirvana. Volgens W. heeft die aansporing slechts eenmaal plaats gehad, en wel in het begin van het Buddhaschap, en is dus de vorm der legende in den Lalitavistara, waar alleen van deze aansporing sprake is, de oudste. De gevolgtrekking schijnt ons niet gewettigd, al was het maar omdat de Lalitavistara zich niet verder

Sluiten