Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Buddhacarita. De voorstelling (in proza) in Buddhaghosa's Inleiding op de Jataka's heeft meer overeenkomst met den Lalitavistara, dan met het Pabbajjasutta. Dit vindt W. opmerkelijk, en hij zoekt het feit hierdoor te verklaren dat Buddhaghosa «als von Haus aus nordindischer Buddhist die nordindische Entwicklung der Buddhalegende kannte und sie mindestens gelegentlich in seinem Commentar zum Ausdruck brachte». Hiertegen 'hebben wij eenige bedenking. De «Noordindische Buddhisten» behoorden niet tot ééne secte; het zgn. Noordelijk Buddhisme is de gemeenschappelijke benaming van allerlei oude en nieuwe, elkander hevig vijandelijke secten, en staat derhalve niet als secte-naam tegenover het zgn. Zuidelijk Buddhisme (eigenlijk de Theravada-secte). Wij weten met zekerheid dat nog in den tijd van Hiuen Thsang de Theravadins van Ceilon secte-genooten hadden op 't vaste land, o.a. in Kalinga. Welke reden kon men nu hebben om te veronderstellen dat Buddhaghosa niet tot de Sthavira-secte behoorde toen hij naar Ceilon ging, of dat hij uit den canon van eene andere secte, en dat nog wel eene Mahayanistische, geput heeft? Wij zouden eerder vermoeden dat hij aan het Mahapadana 't een en ander ontleend heeft, doch zoolang de Apadana's niet volledig zijn uitgegeven, is dit natuurlijk eene losse gissing.

De slotsom waartoe W. bij zijn onderzoek naar de ontwikkeling derBimbisara-geschiedenis komt, is in hoofdzaak het volgende: Koning Bimbisara van Magadha is een historisch persoon; hij werd reeds vroegtijdig een begunstiger van Buddha en diens leer, en schonk den Sarigha het Vejuvana; het verhaal in Mahavagga heeft een historischen grondslag, doch bevat eenige verdichte trekken; van latere vinding is de ontmoeting van Bimbisara en Siddhartha, waarbij de Koning in zekere mate de rol speelde van Mara, in zooverre namelijk als hij den jongen man de geneugten des levens wil doen genieten. Dit is het standpunt van 't Pabbajjasutta, terwijl de Lalitavistara en 't Buddhacarita, waar het zwaartepunt van 't verhaal in de leer van de nietigheid aller dingen gelegd is, een nog latere phase van ontwikkeling vertoonen.

Als Aanhangsel zijn twee hoofdstukken toegevoegd; in 't eerste weidt W. uit over de beschrijvingen van Mara's heir; het tweede behandelt twee gedeelten van 't Mahavastu, waarvan wij reeds boven gelegenheid hadden te gewagen.

En hiermede besluiten wij onze aankondiging, die volkomen aan haar doel zal beantwoord hebben, indien ze er iets toe mocht bijdragen om de aandacht van belangstellenden te vestigen op de naar vorm en inhoud voortreffelijke verhandeling van Prof. Windisch.

Sluiten