Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dana-Qataka of Honderdtal Legenden, waarvan de uitgave door Prof. Speijer ondernomen is 1, tot leiddraad voor de beeldhouwers gestrekt heeft.

De geschiedenis van den Buddha bij zijne laatste menschwording, nadat hij uit den hemel der Tusita's was nedergedaald om als prins in Kapilavastu herboren te worden, heeft natuurlijk den geloovigen den stof geleverd tot tal van bewerkingen in dicht en ondicht. Een aaneengeschakeld verhaal dat zich over 't geheele leven van den Buddha uitstrekt, bestaat er, in de kanonieke boeken, niet. Wel bezitten de Noordelijke Buddhisten onder hun heilige boeken een werk, in verschillende redakties, hetwelk eene beschrijving geeft van de wonderbaarlijke geboorte van den Bodhisattva, d. i. den aspirant-Buddha; van zijne ongemeene begaafdheden en groote daden; zijne ontvluchting uit Kapilavastu om monnik te worden; zijn strijd met Mara den Duivel en zegepraal, tengevolge waarvan hij de Buddha wordt, die bij Benares 't eerst zijne leer verkondigt, of zooals de geijkte term luidt: het Rad des Geloofs draait, bekeerlingen maakt en daardoor zijn geestelijk rijk sticht. Van dit verhaal, dat een afgerond geheel vormt en het karakter draagt van een heldendicht met den idealen monnik tot hoofdpersoon, bestaat een Sanskrittekst onder den titel «Lalita-Vistara», reeds lang in druk uitgegeven, en o.a. vertaald door Foucaux(Paris 1884-92).

Na de ontdekking, door Oldenburg gemaakt, dat een bekende tekst uit de Buddhistische letterkunde den wegwees ter verklaring van de tafereelen uit de Jataka's, lag het voor de hand dat men ook voor andere reeksen hetzelfde wilde beproeven. Van de 120 bovenste reliefs van den eersten omgang hadden reeds Wilsen en anderen eenige voorstellingen herkend als betrekking hebbende op de Buddhalegende, doch men dacht er niet aan, den Lalita-Vistara tot leiddraad te nemen. Een van degenen die bij de aanschouwing van den Boro-budur op die gedachte gekomen zijn, is de eer C. M. Pleyte. Toen hij in 1899 bij het heiligdom vertoefde, had hij gelegenheid de beeldhouwwerken van den eersten omgang met den inhoud van den Lalita-Vistara te vergelijken en daarbij kwam hij spoedig tot de overtuiging dat de voorstellingen bijna hoofdstuk voor hoofdstuk het verhaal in den Lalita-Vistara volgen. «Bijna», niet geheel, want Pleyte erkent zelf dat enkele reliefs noch uit den Lalita-Vistara, noch uit andere toegankelijke Noordelijke overleveringen verklaard kunnen worden. Doch al is dit zoo, verreweg het grootste aantal tafereelen wordt door den tekst van genoemd werk toegelicht.

Men mag den Heer Pleyte dankbaar zijn, dat hij niet voor zich zeiven alleen heeft willen behouden wat hij gevonden had. Hij heeft zich aan 't werk

iWff)COmPleet gek0men iu 1902; Bibliotheca Buddhica, III; St. Petersburg. (Noot van

13

Sluiten