Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

toewuift. Links in de lucht ziet men een jongen olifant, in welke gedaante de Bodhisattva nadert om in den schoot der Koningin te dringen, die in den droom aanschouwt wat er gebeuren zal. Terecht maakt Pleyte de opmerking dat andere voorstellingen van de nederdaling des Bodhisattva's, nl. die von den Stüpa van Amaravatï in Zuidelijk Indië, in kunstwaarde bij 'trelief op den Boro-budur achterstaan.

De verklaring van PI. 14 is twijfelachtig. De Sch. erkent zelf dat de plaats welke het relief inneemt niet overeenkomt met de volgorde van 't verhaal in den Lalita-Vistara. Daarmee is tevens gezegd dat althans de ons bekende redactie van dat boek niet de leiddraad geweest is waarnaar de beeldhouwers gewerkt hebben. Ook de eerst later voorkomende plaats, waarop Pleyte doelt, verspreidt niet het noodige licht, maar zooveel is duidelijk dat de hoofdfiguur £akra den godenkoning moet voorstellen en dat de 4 zwevende figuren die zijn van de heerschers der windstreken. De houding en gebaren der bijpersonen zijn raadselachtig, doch aangezien er geen plaats is voor een ander tooneel waarbij £akra optreedt, onmiddellijk na de ontvangenis van de Koningin, schijnt de door Pleyte gegeven verklaring de eenig mogelijke.

Op blz. 20 is te lezen guddhavasakayika-goden, d. i. goden die de 5 hoogste Rüpa-hemelen bewonen. Van hen wordt verhaald dat zij in een jubelzang de nederdaling van den Bodhisattva aan Koning (Juddhodana mededeelen, doch dit feit is niet afgebeeld.

Bevreemdend is op PI. 16 de houding van den olifantsmenner, achterop het dier. Bij 't mennen zit zoo iemand op de schoft. Is het om aan te duiden dat hij op 't oogenblik rust?

Wil men zich een denkbeeld vormen van een naieve kunst die er niet tegen opziet zelfs wonderen aanschouwelijk voor te stellen, dan lette men op PI. 21 en PI. 25. Het eerste relief heeft betrekking op het feit dat Maya door de wonderdadige kracht van den Bodhisattva in haren schoot door de goden op verschillende plaatsen gezien wordt, hoewel zij in werkelijkheid slechts op één plaats, en wel op eene andere dan waar de goden zich verbeelden haar te zien, aanwezig is. Zonder behulp van den geschreven tekst, zou de voorstelling volstrekt onbegrijpelijk wezen. Ook bij PI. 25, getiteld «De mirakelen te Kapilavastu» zou men niet kunnen raden hier met wonderen te doen te hebben, kwam de tekst der Legende ons niet te hulp.

Naar aanleiding van den maandnaam Pusya maakt de Sch. eene aanteekening die den lezer op een dwaalspoor zal brengen. De aanteekening luidt aldus: «Pusya, das achtelun&re Sternbild. Erscheint in December—Januar. Da die Konception wahrend des Monats April—Mai stattfand, als Pusya mitVigakhainKonjunction war, muss hierein Irrthum vorliegen.» Hetsterrebeeld Pusya omvat immers drie sterren in de Kreeft, en was in den tijd

Sluiten