Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

moeten richten op de overgebleven materieele monumenten, waarbij het ons gelukt is eenige voorstellingen, hoofdzakelijk van de Jataka s, te verklaren. Een gedeelte van deze aanteekeningen geven wij hier, in de hoop van met der tijd een meer stelselmatige en voller bewerking te geven van 't ons ten dienste staande materiaal in zake 't verband der Buddhistische kunst met de Buddhistische leer en hare legenden. Thans zullen wij in onze aanteekeningen ons bezighouden met een stüpa: Bharhut, een grot: Ajanta, een tempel: Boro-budur.

Alvorens over te gaan tot de beschouwing der voorstellingen zelve, veroorloven wij ons een enkele opmerking van algemeenen aard te maken omtrent gevolgtrekkingen in betrekking tot den ouderdom der gewijde Buddhistische litteratuur, op grond van de materieele monumenten en de daarop voorkomende opschriften; wij zullen hier stilstaan bij de laatste soortgelijke uitspraak van Prof. Bühler in diens uitstekend opstel over de herkomst van 't Indische, Brahmï lipi genaamde letterschrift1.

Prof. Bühler is van oordeel, dat de gegevens, door den Pali-canon verstrekt, betrekking hebben op de Vde en misschien reeds VIde eeuw vóór Chr. en daarom houdt hij het voor waarschijnlijk, dat de Pali-verzameling der Jataka's reeds in de IIIde eeuw vóór Chr. was opgenomen in den «Buddhistischen canon», dien hij blijkbaar vereenzelvigt met denPalischen, en dat deze canon te dien tijde ten volle vastgesteld (fully setiletT) was .

Wat aangaat de meening dat de gegevens van den Pali-canon ons tot de Vde of VIde eeuw voeren, vergenoegen wij ons met te verwijzen naar een opstel van I. P. Minajef, die gezegde meening uitvoerig ontleedt, en naar ons toeschijnt, volkomen overtuigend verwerpt3; wat in 't bijzonder de Jataka's betreft, willen wij opmerken, dat het onmogelijk is de verzen en 't proza daarin op ééne lijn te stellen, aangezien 't proza, volgens het getuigenis zelve der overlevering, tot een lateren tijd behoort; t eenigste ons bekende citaat uit de Jataka's op een inscriptie te Bharhut 4 is 't begin van een vers. Vergelijkingen met de ons toegankelijke, vooralsnog zeer weinig talrijke Sanskrit-Jataka's, waarin verzen bewaard zijn, bewijzen, dat bij schier volledige gelijkluidendheid in 't dichterlijk gedeelte, de Jataka's in 't prozaïsche zich in de verschillende redacties sterk onderscheiden. Wanneer men een Jataka op een bas-relief aantreft, dan bewijst dit ontegenzeggelijk alleen dat het onderwerp of de fabel in den gegeven tijd bekend was, maar

1 Bühler, G. Ou the origin of the Indian Brahma Alphabet (Indian Studies, N° III). Sitz. Ber. Wiener Akad. Ph. K. Cl. Bd. CXXXII, V.

s Minajef, I. P. Novyja izslêdovanija o Buddismë. Z. M. N. P. 1882. Ijulj, 102 sll. Oktjabr, 402 sll.

4 Hultzsch, Bharaut Inscriptions etc. Ind. Ant. XXI (1892), 226.

Sluiten