Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

op afgebeeld hetzij het tafereel, waar de kraai naar de in de korf zittende duif toevliegt, of wel dat, waar de duif de zich ziek veinzende kraai troost.

Een groot deel van de tot heden verklaarde Jataka's zijn reeds van den beginne af aangewezen door Cunningham met medewerking van Subhüti: N°. N°. (op onze tabel) 1.2.4. 6. 7.8. 9. (volgens aanwijzing van I. P. Minajef) 10. 11. 13. 15. 32. 43. 44. 47. 50 ; door Rhys Davids is 't eerst aangewezen N°. 42; door Warren 39. 48; door Minajef 5; door Hultzsch 3. 19. 36; door ons 12(?) 27. 31. 37. Twijfelachtig blijft N°. 14, dat, zooals bovengezegd, op drieërlei wijze verklaard is geworden.

De grootste verdienste ten opzichte der verklaring van den Stüpa te Bharhut na Cunningham behoort onbetwistbaar aan Hultzsch, die 't eerst betrouwbare kopieën en lezingen der opschriften gegeven heeft.

Sandhibhedajataka, «Jataka van den bewerker van scheiding»1. (349).

Eertijds onder de regeering van Brahmadatta te Benares, bestuurde de Bodhisattva, als diens zoon, na de wetenschappen te Takkasila geleerd te hebben, na zijns vaders dood het rijk met gerechtigheid. Te dier tijde weidde een herder koeien in 't bosch; bij 't terugkeeren lette hij niet op een drachtige koe, en haar in den steek latende, keerde hij terug. De koe knoopte vriendschap aan met een leeuwin. Beiden werden trouwe vrienden en gingen te zamen er op uit. Na eenigen tijd kreeg de koe een kalf en baarde de leeuwin een leeuwenwelp. Beide jonge dieren werden ten gevolge van de \ riendschap hunner familiën trouwe vrienden en gingen er te zamen op uit. Eens zag een jager hun vriendschap; na in 't bosch zijn buit bijeengepakt te hebben ging hij naar Benares en leverde dien aan den koning. De koning vroeg hem: «hebt gij, mijn waardste, in 't bosch niets wonderbaarlijks gezien?» Hij zeide: «Majesteit, ik heb niets anders gezien behalve een leeuw en een stier in vriendschap, te zamen gaande.» «Mocht een derde zich onder hen vertoonen, dan zou het gevaarlijk kunnen worden. Wanneer gij een derde onder hen ziet, meld het mij dan.» «Goed, Majesteit», zei de jager. Toen de jager naar Benares vertrokken was, ging zekere jakhals den leeuw en den stier zijne opwachting maken. De jager, in 't bosch gekomen, zag hem en dacht bij zich zelf: «ik zal den koning mededeelen, dat zich een derde vertoond heeft», en ging naar de stad.

En de jakhals dacht bij zich zelf: «behalve leeuwen- en ossen-vleesch, is er niets wat ik vroeger niet gegeten heb; ik zal tusschen den leeuw en den stier twist stoken en hun vleesch eten.» Na zoo bij zich gedacht te hebben zaaide hij tweedracht tusschen hen, met tot beiden te zeggen: «deze spreekt

1 Zie Minajef. Eenige woorden over de Buddhistische Jataka's. Z. M. N. P. CLXI, 222-224, Den titel kan men ook vertalen met: «Verbreking van het verbond».

Sluiten