Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Eens bespeurde zekere kraai, die over 't dak der keuken vloog, den geur van kruiderijen, van visch en vleesch, en kwam de wensch bij hem op: «door welk middel kan ik mij visch en vleesch verschaffen?» Zoo denkende, ging zij in de nabijheid zitten, al nadenkende. Toen zij 's avonds den Bodhisattva zag terugkeeren en in de keuken gaan, besloot zij: «met behulp van deze duif zal ik visch en vleesch machtig worden». Den volgenden dag vertoonde zij zich des morgens en, toen de Bodhisattva zich om voedsel te gebruiken opmaakte, vloog zij hem1 achterna. De Bodhisattva zeide: «Waarom, lieve, vliegt gij mij na?» «Heer, uwe daden behagen mij, van nu af zal ik U dienen». «Lieve, gij hebt 't eene voedsel, ik heb 't andere, het is moeilijk voor u mij te dienen». «Heer, wanneer Gij U voedsel gaat verschaffen, ga ook ik het mij verschaffen en zal ik met U medevliegen». «Goed, wees maar steeds voorzichtig». Na zich met zulke woorden tot de kraai gewend te hebben, ging de Bodhisattva zijn voedsel zoeken en gras, graankorrels enz. eten. Toen de Bodhisattva voor zich voedsel zocht, ging ook de kraai aan t werk, nam een stuk mest, at (daaruit) wormen, vulde zijn maag, ging naar den Bodhisattva en zeide hem: «Heer, Gij vliegt al te lang (voor voedsel), het is niet goed zich bovenmate met eten bezig te houden». Toen de Bodhisattva, na zich verzadigd te hebben, 'savonds terugkeerde, ging de kraai tegelijk met hem in de keuken. De kok dacht: «Onze duif is teruggekomen met een vriend bij zich», en plaatste een korf ook voor de kraai.

Van dien tijd af leefden beide (in de keuken). Eens bracht men den koopman veel visch en vleesch. De kok nam ze aan en hing ze hier en daar in de keuken op. Bij 't zien van 't vleesch, brandde de kraai van verlangen: «Morgen zal ik niet uitvliegen voor voedsel, maar dit eten». Den (ganschen) nacht lag zij te kreunen. Den volgenden dag zeide de Bodhisattva, terwijl hij zich opmaakte voor voedsel (tot de kraai): «Laten wij ons op weg begeven, lieve kraai». «Heer, ga Gij, maar ik heb pijn in 't lijf.» «Lieve, nog nooit is het gebeurd, dat een kraai pijn in 't lijf zoude hebben; 's nachts, in elk der drie nachtwaken 2 voelen zij zich onwel, doch door de lont van een lamp te slikken voelen zij terstond beterschap. Waarschijnlijk lust het u visch en vleesch te eten, maar menschelijk voedsel is niet geschikt voor onzen vriend, doe dit niet, laten wij samen voor voedsel uitgaan». «Ik kan niet, Heer». «Nu dan, gij zult door uw doen ontdekt worden, geef u niet over aan uwe heftige begeerte, pas op.» Na haar deze woorden gezegd te hebben, begaf zich de Bodhisattva op weg voor voedsel.

Het geslacht wisselt telkens, omdat de duif wel vrouwelijk is, maar de Bodhisattva een mannelijk woord is. — h. k.

2 Een nachtwaak is een tijdperk van drie uren. — h. k.

Sluiten