Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

D.i. «(Ze zijn) vierhoekig, met vier deuren, (zóó) afgedeeld dat elk deel (behoorlijk) is afgemeten; hoog honderd Yojana's, en van alle kanten honderd Yojana's; omgeven van ijzeren ringwallenen met ijzer overwelfd. Hun uit ijzer bestaande bodem is vlammend, van vuurgloed vervuld. (Ze zijn) folterplaatsen voor nijdigaards, gruwelijk, in vlammen gehuld, moeielijk te genaken, en huiveringwekkend te aanschouwen, schrikkelijk, vreeselijk, vol lijden».

In de aangetogen plaats uit Mahavastu, waar een beschrijving van de hellen (narakavarnana) gegeven wordt, wordt ook verhaald dat de Sthavira Maudgalyayana, een der twee voornaamste discipelen van den Buddha, een bezoek bracht aan de 8 groote hellen en de Utsada's. Hij placht dikwerf uitstapjes daarheen te maken. Opmerkelijk nu is het dat wij onder de door hem bezochte hellen eenige geheel andere namen aantreffen. Zoo vernemen wij dat lijders, uit de Samjïva verlost, te recht komen in de Kukkula; hieruit vervallen zij in de Kunapa; hieruit ontkomen, bereiken zij een plaats waar allerlei vogels met ijzeren snavels zijn; dan verder in 't Asipatravana (d.i. woud van boomen die zwaarden tot bladeren hebben); daaruit ontsnapt, komen zij aan de rivier Vaitaranï (de rivier der hel). Bijna al deze namen komen ook elders voor, zoowel in Buddhistische als in Brahmanistische teksten. Bijv. Kukkula 1 (eig. stroo-vuur) in Jat. V, 143: Kukkulaname nirayamhi paccati, hij wordt gekookt in de Kukkula genaamde hel. Kunapa (eig. een rottend lijk) heb ik als naam van een hel in 't Pali niet aangetroffen; ook niet in Brahmanistische geschriften. Asipatravana, Pali asipattavana, in Sutta-Nipata 673; Asipatta-niraya Jat. VI, 250. Vetaranl, de hellerivier, treft men meermalen aan, o. a. Jat. VI, 250.

Men kan niet anders dan aannemen, dat al deze hellen die buiten 't kader der acht zoo te zeggen officieele groote hellen mitsgaders hun Utsada's vallen, toch in 't volksgeloof bekend waren en daarom door de Buddhistische verzamelaars en omwerkers van volksverhalen zijn overgenomen, zonder zich te bekommeren of die extrahellen met het stelsel van acht groote hellen strookten. Er komen trouwens in Buddhistische gewijde oorkonden ettelijke andere hellen voor. Zoo heb ik uit Sutta-Nip. 123, vg. opgeteekend de volgende namen 2 van hellen: Ababa, Atata, Nirabbuda, Paduma, Uppalaka. In Vimana-Vatthu 52112 wordt gewag gemaakt van een hel Samsavaka; in Jat. VI, 247 maken wij kennis met een Kakolaniraya, zoo genoemd naar de aldaar zijnde kak ol a's, raven; in het zelfde Jat. 246 treffen wij ook de twee hellehonden Sabala en Sama, d.i. Skr. £abala en gyama,

1 Do maat eischt kukkula of kuküla. Doch beide vormen komen ook elders voor •' Eigenlijk namen van zeer hooge getallen. Ik veronderstel dat deze hellen zoo genoemd worden naar gelang van 't aantal eeuwen dat het verblijf in elke dier hellen duurt.

Sluiten