Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aan, ons welbekend als de twee wachthonden van Yama uit Atharva-Veda 8, 1, 9.

Wij hebben reeds gelegenheid gehad op te merken, dat een stelsel van 8 groote hellen algemeen Buddhistisch moet geweest zijn, aangezien het bestaan er van gewaarborgd is zoowel door een Pali-tekst van de zich als rechtzinnig beschouwende sekte als door een geschrift van de sekte der Lokottaravadins, een afdeeling der als schismatiek te boek staande Mahasanghika's. Nu is er echter ook een stelsel van 16 groote hellen dat wij alleen kennen uit een werk van Noordelijke Hïnayanisten, namelijk het Avadanagataka 1. Hierin vinden wij in Avadana 7, getiteld Padma, p. 38, de volgende opsomming van 16 hellen, te weten: Samjïva, Kalasütra, Samghata, Raurava, Maharaurava, Tapana, Pratapana, Avïci, Arbuda, Nirarbuda, Atata, Hahava, Huhuva, Utpala, Padma, Mahapadma 2. De eerste acht zijn heete hellen; de tweede, koude.

Men ziet dat de eerste acht hellen geheel dezelfde zijn als de vroeger behandelde, en wat de tweede rij betreft, vinden wij hier terug de namen Atata, Nirarbuda, Padma en Utpala, die wij in Pali-vorm boven reeds ontmoet hebben. Zonder twijfel waren ook de overige bij de Zuidelijke Buddhisten bekend.

Eindelijk valt nog te vermelden een bijzondere soort hel, geplaatst in de tusschenruimten der werelden; vandaar de naam Lokantara-niraya, Jat. VI, 247; of Lokantarika-niraya; Skr. Lokantarika. Het is er helsch donker; 't licht van zon en maan dringt er niet door; alleen wanneer een Buddha verschijnt, word t de duisternis verlicht door de stralen die van hem uitgaan3.

De Buddhistische monniken hebben de in hun geschriften geuite denkbeelden omtrent de hellen overgenomen uit het volksgeloof, niettegenstaande het heele begrip van hel en wat er meê samenhangt volstrekt in strijd is met een hoofdbeginsel van hun leerstelsel. Immers het Buddhisme loochent het bestaan van de ziel des menschen, en wat de levende niet bezit, kan na zijn dood niet voortbestaan. Wanneer een mensch sterft, gaan de vijf elementen waaruit hij is samengesteld, de Skandha's, Pali Khanda's, te niet, en blijft alleen over het Karman (Pali kammam), d.i. de som van goede en kwade handelingen die de mensch bij zijn leven verricht heeft. Dit Karman heeft de kracht om een nieuw wezen te doen geboren worden, hetwelk beschouwd wordt als een herboorte van den overledene, wiens Karman zijn lot bepaalt. Tusschen iemands dood en wat als zijn herboorte

1 Uitg. van Speyer, in Bibliotheca Buddhica, III. St. Petersburg, 1906-'09.

2 Ygl. do vertaling van Burnouf, Introduction (1844), 201. Dezelfde passage komt in Avad. meermalen voor.

8 Zie o.a. Mahavastu I, 229, en ygl. Spence Hardy, Manual (1880), p. 28.

Sluiten