Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in den zin van Day. ka, k in abstracte substantieven 1 is Mao. ko gebruikt, bijv. in korero, spraak; de eigenlijke en meer gebruikelijke beteekenis is «gezegde.» Men ziet hoe de oostelijke en westelijke verwanten, tot zelfs in kleinigheden, overeenstemmen; de grammatische elementen zijn overal voorhanden en gemeenschappelijk erfgoed, hier vollediger, ginds in brokstukken bewaard. Zoo er hier en daar bij 't oude erfgoed nieuw huisraad is aangeschaft, dan is dit toch gemaakt uit het bekende materiaal en naar 't oude model.

F. ta- valt in beteekenis met ka- samen. Wat Hazlewood omtrent het gebruik van beide zegt, is over 't algemeen zóó juist, dat ik niet beter weet te doen dan zijne woorden aan te halen. « Words thus formed differ from adj. and pass. verbs generalij'- in this respect, that they imply that the thing has become2so of itself.Butitappearstobeusedalso when they do not wish to mention, or when they do not know the agent by whom the thing has come into the state expressed by this form of the verb, or by this kind of adj.». Ten overvloede zal ik tot nader toelichting een voorbeeld kiezen uit een geheel andere taalfamilie. Het Skr. pusta, vet, doorvoed, is, wat men noemt, een part. perf. pass., doch van een onzijdig werkwoord, pusyati, tieren, vet worden. Ons verleden lijdend deelwoord «gevoed» als zoodanig, d. i. in den zin van «gevoed geworden (door iemand), vet gemaakt (door iemand)» wordt niet door pusta uitgedrukt, maar door posita, van 't causatief posayati. Vergelijken wij nu bijv. F. ta-dola, open, dan zien wij dat dit een tegenhanger is van pusta, en niet van posita. Tadolatoch is niet «opengemaakt», maar «opengegaan», en het is dus verkeerd, wanneer Hazlewood, in strijd met de straks aangehaalde woorden tadola in zijn woordenboek beschrijft als «adj. of passief werkw. van dola-va, openen», ta^avu, uitgetrokken (van gras, enz.) als «adj. of pass. werkw. van d'avuta, uittrekken, uitplukken». Het is waar dat de meeste nieuwere Arische talen het vermogen missen om dergelijke onderscheidingen als er tusschen pusta en posita bestaan, op dezelfde wijze uit te drukken en dat bijv. in t Jvederl. gedekt, als adj. in «wees gedekt» en als deelwoord in «de tafel wordt gedekt», in vorm niet onderscheiden wordt, maar dergelijke eigenaardigheden der nieuwere Europeesche talen mogen niet tot toonbeeld genomen worden: ze behooren niet eens tot het ware karakter van 't Arisch, hoe veel minder dan tot dat van andere taalfamiliën 3.

1 Vgl. wat het verband tusschen part. perf. pass. en abstracta betreft Skr. woorden als j ï vitara, hasitam, bhasitam (dit geheel = Mao. korero), e. dgl.

2 Op dit «geworden» moet men niet minder den nadruk leggen dan op «vanzelf». Eigenlijk is «geworden» reeds op zich zelf eene tegenstelling tot «gemaakt».

3 De verwarring van wat Indo-Gcrmaansch en van wat toevallig in enkele Indo-Germaansche talen van do meest verloopen soort voorkomt, vertoont zich min of meer in

Sluiten