Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schouwd, een zoon (voor iemand) zijnde; als substantief: pakosadha, wat als geneesmiddel dient; pakabhümi, bezitter van den grond; = Tombul. makatana.

In 't F., dat een nog veel ruimer gebruik maakt van vaka dan eenige Indon. taal, dient dit voorvoegsel: 1°. om bijwoorden van adjectieven te vormen: vaka-levu, grootelijks, van levu, groot; vaka-<Ja «badly» van d'a, «bad». Nauw hiermede verwant is de beteekenis van -achtig, diemet vaka afgeleide adjectieven hebben, bijv. vakarara, rijpachtig, om zoo te zeggen rijp, bijkans rijp; en hetzelfde begrip ligt ten grondslag aan bijwoordelijke uitdrukkingen vakangonengone, op de wijze van kinderen,kinderachtig; vakavuravura, op de wereldsche manier, wereldlijk. Evenzoo duidt Sam. faa1 «op de wijze, in den trant van» aan: faètangata èse, als een vreemdeling. Met F. vakarara is te vergelijken Mao. whakapareho, om zoo te zeggen verteerd, van pareho, verteerd. 2°. Vaka- beteekent «hebbende»; dus vakavale, een huis hebbende; volkomen = Tombul. makawale! daargelaten dat dit laatste den duratiefvorm vertoont; geheel hetzelfde daarentegen is O. Jav. paka in pakabhümi, landbezitter. Daar in vaka actief en passief niet onderscheiden is, beteekent het zoowel bezitter als bezit; dus avanuavaka-Bau is «'t landbehoorendeaanBau».3°. Hetvormt multiplicatieven: vakatolu, driemaal; vakalima, vijfmaal; zoo ook Sam. faè.tolu, enz.; Tombul. makatëlu, makalima, Tag. makatatlu, makalilima; eenigszins afwijkend hiervan maakt maka in 't Bug. en Mak. rangtelwoorden: makatëlu, makatalu, derde; de afwijking is wel te verklaren, dewijl maka «uitmakende» beteekent9. 4°. Vaka- is het teeken der factitieven. Men kan de factitieven in twee hoofdsoorten onderscheiden, welke in de Ibn. Spr. van de Cuevas niet onaardig « werkwoorden van fa c e r e facere» en «van facere fieri» genaamd worden. Als ik zeg: «de koning laat zijnen veldheer tegen de vijanden oprukken» of«de vijanden verslaan dan is de veldheer het onderwerp van 't onzijdige «oprukken» of het transitieve «verslaan». Daarentegen is in een volzin als deze: «de vader laat zijnen zoon door den meester onderwijzen» de zoon degene die onderwezen wordt, dus, het onderwerp van een passief. Alleen de factitieven der eerste soort zijn eigenlijk gezegde causatieven, hoewel de Arische talen het onderscheid niet door eenen bepaalden vorm plegen uit te drukken; zelfs 't Skr.

ezigt bijv. karayati zoowel in den zin van «maken dat iemand maakt of iets doet» als «maken dat iets gemaakt of gedaan wordt;» ghatayati is «dood-maken», doch ook «maken dat iemand doodt.» In beide gevallen gebruikt het F. vaka, doch waar het van «maken» afhangende object als 1 Faa in Violette's Wdb. (1879), is foutief.

3 Vgl. Matthea, Boog. Spr. (1875), § 163, vg.

19

Sluiten