Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

duidelijk op den voorgrond. Nagenoeg geheel en al een gerundief is Sam. longo-a, gehoord wordende, te hooren, geheel de tegenhanger van Jav. wëruhan, te weten. Doch dit wëruhan is ook wel eens adjectief, in den zin van «licht te hooren krijgende», en Jav. rungon, vormelijk identisch met Sam. longo-a, komt toevallig alleen als adj. voor, als «scherp van gehoor». Geheel passief is ook Sam. tanu-a, te begraven, wat kan begraven worden; en zoo ook het etymologisch identische Jav. tanëman, wat gepoot is, plantsoen. Van denzelfden aard zijn Tag. usApan, wat er gesproken wordt; tanüngan, wat gevraagd wordt. Ook van personen, bijv.Jav. utusan, wie gezonden wordt. Hoezeer longoa e. dgl. iets passiefs uitdrukken, zijn het toch geen bepaalde deelwoorden, indien men namelijk gerundieven of verbaaladjectieven van de deelwoorden scheidt. Juist de moeielijkheid om die grammatische kategoriën overal streng uit elkander te houden, is de beste verklaring van 't feit dat het aanhechtsel an in 't M. P. zooveel toepassingen toelaat.

Behalve ()angina verdienen uit het P. eene opzettelijke vermelding: davena, meegesleept (door den stroom) 1 ; drodrong-a, hetz.

In nauw verband met die beteekenis van - a n welke men kan weergeven met «in ruime mate» of «in sterken graad voorzien», is die welke men aantreft in zulke woorden als lag. ilungan, Bis. ilüngan, grootneuzig; Tag. ulu-uluhan, koppig; ngusüan, met een groote snuit. Hierbij sluiten zich verder aan uitdrukkingen als Tag. bibigan, Bis. tabian, babbelaar, e. dgl., en eindelijk -an in den zin van «zeer» bijv. in Ibn. ngisingisitan, zeer zwart, van ngisit, zwart; en in de superlatieven of comparatieven met voorvoegsel ka en aanhechtsel an; bijv. Ibn. ka raka yan, slechtste; Sang. karalakisan, hetz.; Sang. kapian, beste; Bat. gabein, rijker; datuan, knapper dan Datu.

Er zijn gevallen waarin -an regelmatig afwisselt met -i. Ofschoon het aanhechtsel ook in zulke gevallen zonder twijfel in oorsprong één is met het - a n dat wij reeds hebben leeren kennen, zal ik het later te gelijk met -i behandelen, omdat de twee aanhechtsels geheel hetzelfde uitdrukken en elkaar slechts aanvullen 2. Vooraf zullen wij het affix ë n beschouwen.

1 Hazlewood in zijn Gramm. (1872) vat zulke vormen op als onregelmatige passieven; hij bedoelt daarmee dat bepaalde passieve werkwoorden gekenmerkt worden door 't aanhechtsel t, terwijl a het kenmerk des actiefs is. Doch de schijnbare afwijkingen van den regel komen juist bij die woorden voor welke het karakter van een adjectief dragen; adj. namelijk in dien zin waarin ons uitnemend, uitmuntend adj. zijn, doch uitnemende, uitmuntende deelwoorden.

2 Een enkele maal vinden we an door i vervangen zelfs in denzin van -ig; in dukadukal-i, smerig, van duka (uit dukal), vuiligheid; ook als adj. vuil, volgens Hazlewood.

Sluiten