Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uitdrukkelijk aangegeven; er blijkt tevens uit dat kani geheel en al als wortel behandeld wordt. Daar nu meermalen een stam, bijv. vola, geschreven, even goed als het afgeleide volai, tot vola (d. i. vola -j- a) in de verhouding staat van een passief tot een transitief, zou ook kani metkorte i kunnen verklaard worden als in 't gebruik niet verschillende van een denkbaar k a n I (d. i. k a n i -f- i).

Een dergelijk woord als v o 1 a, is t a, of t a t a, hetwelk hakken (intr.), of gehakt beteekent, terwijl het transitief er van in 't actief tay a luidt. Daar het vereischte aanhechtsel niet ya, maar a is, rijst de vraag hoe de y te moeten verklaren. M. i. aldus: ta is 1° de wortel van tata, d. i. Jav. tatah, beitel, dat in pan at ah, snijder van YVayangpoppen, duidelijk ook den zin van snijden vertoont; voorts Bis. tatha 1, kappen; het zal 2° aan Day.,Bis., Tag. tatak, Mao. tata stam tatak, blijkens tatakanga), Mal. t&tak, Jav. tëtak, Mig. tatakS, knotten, kappen, kloven, beantwoorden. De vorm taya behoort bij 't eerste woord, en is dus ontstaan uit tah-a; F. y vervangt in tal van woorden eene oudere h (zie woordenlijst onder dey). Vermits het stamwoord t a reeds in de behoefte, voor het passief, voorziet, en tayi of tai dus als passief overbodig is, en als actief vóór een persoonl. voornw. of eigennaam niet te pas komt, laat zich de afwezigheid van een transitief op i verklaren 2.

Vatten wij de voorafgaande opmerkingen aangaande het spraakgebruik van de affixen i en an ter vorming van woorden die eene veelvuldigheid der handeling te kennen geven en van transitieven samen, dan komen wij tot de slotsom dat het F. aan i een ruim gebied laat, in tegenstelling tot de Philippijnsche en Noordcelebessche talen. Op de verhouding van 't F. te dezen opzichte tot het Pol. komen we later terug. Vooraf zal het noodig zijn een verschijnsel ter sprake te brengen welks verklaring tot de allermoeielijkste vraagstukken der Fidji-spraakkunst behoort, en bij de geringe kennis der tongvallen die wij thans bezitten wel kan en moet beproefd worden, doch zonder dat wij ons vleien mogen de duisternis geheel te kunnen doen verdwijnen.

Het bedoelde verschijnsel bestaat hierin, dat i en an nu eens gevoegd worden achter een grondwoord in de gedaante welke dit in 't F. anders heeft; dan eens van zulk een grondwoord gescheiden zijn door zekere medeklinkers. Dus komt van vola: volai, vola; van lewa: lewai, lewa; van mate: matea; van kune: kunea; van soli: solia, e. dgl.; maar van singa komt: singani, singana; van rongo: rongo^i, rongo^a; van

1 Dc h is in 't Bis. en Tag. zeer onderhevig aan omzetting.

2 Buitendien zou een tai in 't F. zeer wel ta kunnen worden, zooals blijkt uit da, drek, bijvorm van de, M. P. tai.

Sluiten