Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

't gezegde, en evenzoo meestal ko koya, dat als enkelvoud van 't voornw. des 3den persoons dienst doet. Bijv. a sa vodo ko koya ki na wangka, en hij ging in het schip; sa kaya vei ira ko koya, hij zeide tot hen. Waar een demonstratief het gezegde voorafgaat, is het toe te schrijven aan de bedoeling van den spreker om het onderwerp meer te doen uitkomen: O koya ongko sa vosavakacJacïataka na Kalou, deze lastert God.

In tegenstelling tot het F. plaatst het Mao. het onderwerp, onverschillig of dit een substantief of een voornaamwoord is, na 't gezegde, hetzij onmiddellijk er achter, of verder op. Dus: ihokimaiahau, ik ben teruggekomen. In vragende zinnen is de constructie dikwijls anders; ook bij de ontkenning kore, niet: e kore au e kaha, ik ben niet in staat1. Het Sam. spraakgebruik wijkt weinig of niet van 't Mao. af; over enkele rhetorische omzettingen in 't F. en Pol. zal ik niet uitweiden.

De vooropplaatsing van 't onderwerp, hetzij substantief of voornaamwoord, is niet de meest gewone in Indonesië. O. a. in 't Bataksch en Ibanag staat het gezegde regelmatig voorop. Bijv. lao ma ibana medangedang tu baliyan, dida ma parbuwe ni rukkung banggik nunga sai marrara, hij ging zich naar buiten vermeien, door hem werden Rukkungbanggik-vruchten gezien die reeds rood waren2. In 't Tombul. staat dikwijls genoeg het gezegde vóór een substantief als onderwerp, doch alleen in zulke gevallen waar ook in onze taal zulks geschiedt, bijv. na bijwoordelijke bepalingen van tijd, plaats, enz., na zekere voegwoorden, en waar men in verhalenden stijl in 't Hoogduitsch het gezegde, van es vergezeld, voorop plaatst. Bijv. kumua si linta wiya si langkou, kuanna: «sa kou paar, ya kita mahawataru mahararawoyan, sa sei si untung», d. i. «Es sagt de bloedzuiger tot de wilde koe: «Zoo gij wilt, laten wij dan eenen wedloop houden, (om te zien) wie het wint». Doch: si tou ësa tuama makangaran Kawulusan witi Pasambangko paar mange mënero sëra witi lauër», «zeker man, genaamd K. te P. wil visch (om te eten) gaan zoeken in de zee»; taan reikan si opas i-endo si pongkor, «doch er was geen hengel om er een visch mêe te vangen». De woordschikking in 't O. J. wijkt niet noemenswaardig van de Tombulusche af. Hoe weinig de schikking van gezegde en onderwerp afhankelijk is van de familie, waartoe eene taal behoort, blijkt uit de overeenkomst tusschen Tombul. en Hoogduitsch of Nederlandsch. Men konde er bijvoegen het Spaansch; nemen wij bijv. de volgende volzinnen uit Solis, Conquista de Mejico: «Pudieran

1 Insgelijks in 't Ibanag, dat een voornaamwoord onmiddellijk als enklitisch woord achter de ontkenning plaatst. Ari-ak kumat tad dumaga, ik eet niet vleescli.

5 Bat. Leesboek, I (1860), bl. 1; vgl. Tob. Spr., 2= stuk (1867), § 105. Voor 't Ibanag verwijs ik naar de Arte van de Cuevas (2= dr. 1854), p. 326.

2

Sluiten