Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gekloofd, gebarsten, halfscheid; N. J. kabëlah, Alor. kabola, gespleten, in tweeën; Day. b ë 1 a, een gedeelte. BOLA duidt ook bepaalde getallenwaarden aan, nl. een tiental van visschen, en een honderdtal van booten. Dit veronderstelt eene oude gewoonte om partijtjes vogels te tellen bij de snees, en eene volledige prauwenvloot te schatten op tweehonderd. Bepaalde benamingen voor snees of stieg en voor 200 schijnen in 't F. niet meer gebruikelijk te zijn, maar dat ook in verwante talen 200 als eenheid voorkomt, blijkt uit het O. J. en Bal. satak, 200. In 't Jav. kan bëlah wel de helft van de tweede honderd, enz. aanduiden, maar niet van tweehonderd.

BONGI, nacht; M. P. wëngi. Vakabongi-a, to cause one to be benighted; bongifïaka, tot den nacht of avond uitstellen. Waarom in't eerste geval geen klank is ingeschoven, in 't laatste wel, laat zich wellicht zóó verklaren, dat vakabongia samengesteld isuitvaka-)-bongia = Sam. pongia, O.J. kawëngyan, door den nacht overvallen, terwijl het aanhechtsel aka minder innig met het stamwoord verbonden is. De t? zou uit eenej/, welke in 't gegeven geval eene overgangsletter ware, ontstaan kunnen zijn; vgl. echter bl. 322 hiervóór.

Bongi-LEKA, vertaald met «zonsverduistering». Het beteekent eenvoudig «bijna nacht», d. i. bijna donker alsof het nacht ware.

Bonot-A of vonot-A, opstoppen, afsluiten. Tombul. p ë n ë t, sluiten, afsluiten ; Tag. pinid, Bis. ponod, verstopping; muiier nimis arcta; N. J. p ë n ë t, toedrukken.

Boto, bodem; boto-ni-kete, onderbuik. Oogenschijnlijk O. en N. J. wëtëng, Bug. wëtang, Mak. batang, buik; ofschoon de beteekenis eenigszins afwijkt.

Bu, grootmoeder; ook wel tubu, welke laatste ook «voorouders» beteekent. Bis. b u - b u, liefkozende titel voor oude vrouwen (vgl. O. J. i b u, dame, en moeder), en Bis. umbu of ombu, grootmoeder. Verwant is ook Jav. babu, moeder, pleegmoeder; waarvan babon, oorsprong.

Budo, wit. Iloko pudao, Bis. pu 1 au, Ibn. furau, wit.

Bui, staart. Vermoedelijk hetzelfde woord als N. J. buri, O. J. wuri, achterdeel, achterste; Bis. buli; verwant met Mal. en N. J. burit; vgl. Muri. Het uitvallen der r laat zich 't eenvoudigst verklaren, als men aanneemt, dat ze in eene gebrauwde r (') was overgegaan, want deze laatste verdwijnt regelmatig in 't F. en Pol.

Bukebuke, aardhoop. Eig. «kleine buke», Mao. puke, heuvel, berg; O. en N. J. wukir, Bis., Ibn., Tag. b u ki d, Mig. wuhi t r a, Mal. b u ki t, Mak. buke.

Bu-kete, zwanger; bu-kete-vatu, waterzucht; samengesteld uitkete, buik, en b u, waarin 't N. J. ab u h, O. J. abëh, gezwollen, te herkennen is;

Sluiten