Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

want met Jav. lëng-lëng, verbijsterd; en Tag., Bik. lolóng, dwaas; Sang. 1 o n g o n.

Donu , recht, rechtstreeks. Ibn. t u n u n g, juiste richting; matunung, recht. Verwant is O. en N. J. d u n u n g, plaats of punt waarop iets gericht is ; alsook 1 ag. du n u ng, marunung, knap, geleerd.

DüTOA, hars, gom; gewestelijk voor d re n g a, evenals t o n g a. Het is duidelijk dat d o t o a een geredupliceerde vorm is, met eigenaardige klankafwisseling, van een toa of doa. Zou de verhouding hiervan tot tonga dezelfde wezen als bijv. in 't Jav. die van d i h i n (r i y i n) tot dingin? Daar zoowel de o als de e verschillende ontwikkelingen zijn kunnen van eene ë, zouden ook drenga en tonga oorspronkelijk één kunnen wezen. De t in tonga is mogelijkerwijs de verscherping van eene oudere d, welke op Jav. wijze in plaats van of naast eene d optreedt. Dewijl drenga, blijkens de afleiding drenga t-a, lijmig, kleverig, op eene t uitgaat, zou het eene zekere verwantschap kunnen hebben met O.J. (ha)ringët, zweet; waaruit N. J. këringët. Voorbeelden van verwisseling eener ë en i, inzonderheid voor nasalen, ontbreken niet. Verwant met ringët is Bis. singót. Zoolang men niet uit andere gegevens kan opmaken dat d o t o a en t o n g a ook eene t tot sluitletter hadden, moet men onbeslist laten of ze identisch zijn met drenga. Even gewaagd zou het wezen dit DOTOA met DOA, hart van een boom, gelijk te stellen.

Dovu, suikerriet. Jav., Mal., Bur. tëbu, Day. tëwu, Tag., Bis. tobü, Sund. tiwu, N. O. Ceramsch tohu, tëhu.tëpu, Sumb. tibu.

1. Dra, aanh. bezitt. voornw. Zie bl. 268 hiervóór.

*2. Dra, bloed. Mal. darah, Ibn. diga, Day. daha, Tombul. raha (daha), O.J. rah (uit ra'ah), Pamp. daya, Sal. rara, Sea., Tonsaw. daha, Bur. raha'n, Amb. lala; een varieteit met zwakkeren klinker in de tweede lettergreep is Bat. daro (uit darëh), Sumb. rae, Letti, Kisar rare, Dawalór rayo-1, doch Aru raya. Al deze vormen doen zich voor als reduplicaties van eenige wortelvarieteiten, welke reeds in de grondtaal schijnen bestaan te hebben : d a h en d ë h, waaruit met verwisseling van de drie trillers, d, r en ', de opgegeven geredupliceerde vormen sproten. Tengevolge der neiging tot klankafwisseling is de reduplicatie niet eene volkomene. Of de eenlettergrepige vormen: Mig. ra, F. dra, Alor. ra, Timor. nah, Rotti. d ak, Sawu. ra, waarbij men Tont. ën d a voegen kan, werkelijk slechts den wortel bevatten, is niet licht met zekerheid uit te maken. Het N. J. rah is zonder den minsten twijfel gesproten uit O.J. rah, dus eene samentrekking van twee lettergrepen, doch in 't O. J. komt ook rah met korte a voor, en al is dit vermoedelijk niets dan eene verbasterde uitspraak van ra h, met volkomen gewisheid kan men zulks niet aantoonen. Duidelijk

Sluiten